Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. Rechthebbende is de geadresseerde of die wettelijk voor hem in de plaats is gesteld, als de curator in zijn faillissement, eventueel ook de justitie, zie aanteekening 1 op art. 371.

5. Toevertrouwd bericht, telegram. Het eerste is hetgeen ter overseining is aangeboden, het laatste het resultaat van het seinen, zoowel hetgeen door het ontvangtoestel wordt afgedrukt als het beschrevene papier dat bestenul is aan den geadresseerde te worden uitgereikt, al kan het misdrijf in enkele vormen, bijv. het openen, alleen aan liet laatste gepleegd worden.

De Memorie van toelichting heeft alleen aan het laatste gedacht; er is echter geene reden om het eerste niet onder de benaming telegram te begrijpen; het woord verzet er zich niet tegen, en de ratio der bepaling brengt het mede.

6. Voor de bijkomende straf zie art. 29.

Artikel 375.

De ambtenaar van eenige openbare instelling van vervoer of der telegraphie of eenig ander in art. 374 bedoeld persoon, die opzettelijk toelaat dat een ander een der in de artikelen 372—37i vermelde feiten pleegt, of dien ander daarbij als medeplichtige ter zijde staat, wordt gestraft met de strall'en en naar de onderscheidingen in die bepalingen vastgesteld.

1. Toelaten en als medeplichtige ter zijde staan, zie aanteekening 2 oj) art. 359.

Bij dat artikel is sprake van den ambtenaar die het geld of het papier als zoodanig onder zich heeft en dus verplicht is er zorg voor te dragen. Ook hier kan slechts de ambtenaar bedoeld zijn, die bevoegd is de daad te verhinderen. Elke andere ambtenaar is slechts bevoegd van het gebeurde kennis te geven, hij kan dus niet gezegd worden toe te laten alleen omdat hij feitelijk niet verhindert. Dit geldt in liet bijzonder wanneer de dader van het feit zelf ambtenaar is, en misschien de hiërarchisch hooger staande. Overigens kan „een ander" zoowel een vreemde als eene aan de inrichting of de instelling verbondene persoon zijn. Als misdrijven kunnen de feiten van art. 372—374 slechts gepleegd worden door de in die artikelen genoemde personen, maaide feiten kan ieder ander plegen; wel is eene bijzondere betrekking noodig tusschen de instelling of de inrichting en het voorwerp, maar niet tusschen dit en eene bepaalde daarbij geëmployeerde persoon.

Sluiten