Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verleenen zonder zijn vaartuig, de opvarenden daarvan of zich zei ven aan ondergang bloot te stellen.

Hier zijn twee voorwaarden gesteld: de hulp moet niet aan ondergang blootstellen, en de schipper moet daarenboven, afgezien van eigen gevaar, bij machte zijn ze te verleenen; de hulp moet in het algemeen verleend hebben kunnen worden, en in het bijzonder in verband met eigene veiligheid.

Het is de vraag of een beroep op art. 40 naast eene strafbepaling zonder voorwaarden den schipper niet voldoende gebaat zou hebben.

3. Het geldt hier hulp aan een vaartuig, den schipper en de opvarenden. Hulp aan het vaartuig slnit die aan schipper en opvarenden in, deze zijn dus vermoedelijk naast het vaartuig genoemd opdat in het artikel begrepen zou zijn het geval dat de nood alleen de personen betreft, nadat bijv. het vaartuig gezonken is.

Men komt hier echter weder in botsing met de onjuiste definitie van opvarenden bij art. 85 gegeven; wie geen schip onder de voeten heeft is geen opvarende. Van den schipper is niet zulk eene bepaling gegeven; degene die schipper was op het vergane vaartuig kan dus nog als zoodanig worden aangezien ook na het sinister.

De vraag is of een reeds door de bemanning verlaten vaartuig aanspraak heeft op de hier bedoelde hulp. De algemeene termen waarin het artikel is vervat geven aanleiding tot bevestigende beantwoording.

4. De nood moet het gevolg zijn van aanvaring of aandrijving met het vaartuig waarop de schuldige schipper is; anders is art. 474 toepasselijk. Dit verschil is volgens de Memorie van toelichting hetgeen het feit in de hier bedoelde omstandigheden tot een rechtsdelict of misdrijf maakt. De ratio is moeielijk te begrijpen dan voor het geval dat de schipper ook de schuld van de aanvaring draagt, maar dat is geen element van liet misdrijf.

5. Nederlandsch vaartuig, zie aanteekening 2 op art. 86.

Artikel 415.

Bij veroordeeling wegens een fier in de artikelen .'181—387, 402 en 403 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 no. 1—4 vermelde rechteji worden uitgesproken.

Sluiten