Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebracht, uitgebreid in zooverre dat niets meer voor deze overtredingnoodig is dan rondzwerven zonder middel van bestaan.

De reden van strafbaarstelling was uitsluitend deze dat lieden, zonder middel van bestaan rondzwervende, gevaar opleveren voor de plattelandsbewoners die tegen hunne aanvragen en bedreigingen dooide politie niet genoegzaam bescheimd kunnen worden. In de omschrijving der overtreding komt echter niets vóór dat eene beperking tot het platte land zou rechtvaardigen; feitelijk worden de meeste landloopers dan ook aangehouden in de groote steden. Het getal veroordeelde landloopers is trouwens betrekkelijk gering. Het is niet de schrik van het platteland, het geboefte van de Nederlandsche vertaling van den Code pénal, dat als zoodanig voorkomt, maar het zijn öf enkele personen die geen werk kunnen vinden, of ontslagenen uit de rijkswerkinrichtingen die het gemakkelijk vinden hunne uitgaanskas te verteren en dan, zonder middel van bestaan zijnde, zich door de politie te „laten opnemen", en daartoe op sommige plaatsen maar al te gereede medewerking vinden. Trouwens, daar bedelen gemakkelijker te constateeren valt dan landlooperij, waarvoor toch altijd eenig zwerven noodig is, en het bewijs voor gemis van middel van bestaan, dat niet voor waarneming vatbaar is l), soms eenige moeielijkheid oplevert, geven deze personen in den regel eene vertooning van bedelarij.

Wanneer dan het zwerven door het land niet een element der overtreding is, wordt ook te recht in de praktijk niet gevorderd dat de dader zich in meer dan éene gemeente zonder middel van bestaan heeft opgehouden; rondzwerven kan zeer goed gezegd worden van het zonder onderkomen dan hier dan daar zich ophouden, onafhankelijk van liet overschrijden van gemeentelijke grenzen 2).

Het gemis van middel van bestaan is als negatief feit nioeielijk te bewijzen. Feitelijk berust het bewijs meestal op de bekentenis van den beklaagde in verband met het feit dat hij nachtverblijf van de politie heeft genoten en bevonden is geen geld bij zicli te hebben. Maar buiten de bekentenis leveren die beide omstandigheden op zich zelve geen bewijs3).

1) Hooge Kaad 21 October 1895, Wbl. 6719, P. v. J. 1895, no. 90; 27 Januari 189(5, P. v. J. 1896, no. 15.

2) Hooge Raad 7 Januari 1901, Wbl. 7551, P. v. J. 1901, no. 9. Zie Rechtbank Amsterdam 14 September 1886, Rotterdam 9 September 1880, I'. v. J. 1886, no. 38.

3) Hooge Raad 25 October 1897, Wbl. 7035, P. v. J. 1897, no. 91.

Sluiten