Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

officier goederen behoorende tot de kleeding, uitrusting of wapening koopt, inruilt, als geschenk aanneemt, in pand, gebruik of bewaring neemt, of zoodanige goederen voor een krijgsman beneden den rang van officier verkoopt, ruilt, ten geschenke, in pand, gebruik of bewaring geeft, zonder schriftelijke vergunning door of vanwege den bevelvoerenden officier afgegeven;

2°. de koopman die, eene gewoonte makende van bet koopen van zoodanige goederen, de bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur gegeven voorschriften omtrent liet daarvan te houden register niet naleeft.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens eene dezer overtredingen onherroepelijk is geworden, kunnen de straffen worden verdubbeld.

1. Volgens no. 1 van dit artikel wordt gestraft hij die de opgenoemde goederen van eenen krijgsman beneden den rang van officier koopt enz. en tevens hij die ze voor zoodanigen krijgsman verkoopt enz.; de laatste wordt gestraft omdat hij zich als tusschenpersoon tot liet bedrijf leent.

Hoe echter wanneer van de tusschenpersoon gekocht wordt? De Memorie van toelichting beantwoordt deze vraag door de beide mogelijke gevallen te stellen: de kooper weet dat de verkooper voor den krijgsman optreedt, en dan koopt hij in werkelijkheid van dien krijgsman, of hij weet het niet, en dan behoort hij niet strafbaar te zijn.

Hieruit volgt dat naar de opvatting van den steller der memorie noodig is voor strafbaarheid van den kooper dat deze weet van eenen krijgsman te koopen, evenals de verkooper-tusschenpersoon moet weten dat zijn lastgever een krijgsman is. Deze opvatting schijnt mij trouwens onjuist; evenals de drankverkooper ten aanzien van den leeftijd (art. 454, zie aanteekening 2 aldaar) kan de opkooper met betrekking tot de herkomst van het goed verantwoordelijk worden gesteld voor zoodanige schuld als reden is van zijne onbekendheid met de feiten.

Is de tusschenpersoon zelf een krijgsman, dan komt het op de wetenschap van de hoedanigheid des lastgevers niet aan; immers het verkochte behoeft niet tot de uitrusting van den verkooper te behooren; de wet spreekt van de kleeding, de uitrusting, de wapening zonder beperking, dus van de kleeding enz. van krijgslieden beneden den rang van officier.

26*

Sluiten