Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is vervallen krachtens art. 2 der wet van 20 Januari 1896, Stbl. 9, betreffende het in werking treden der Faillisseinentswet, op grond dat de verplichting tot aangifte van het ophouden met betalen binnen drie dagen niet uit art. 765 Wetboek van koophandel in de Faillissementswet is overgenomen.

Artikel 442.

.Met hechtenis van ten hoogste drie maanden wordt gestraft: 1". hij die, surséance van betaling verzocht of verkregen hehhende, eigenmachtig daden verricht, waartoe de medewerking van bewindvoerders door de wet wordt gevorderd;

2". de bestuurder eener vennootschap, maatschappij, vereeniging of stichting welke surséance van betaling verzocht of verkregen heeft, die eigenmachtig daden verricht, waartoe de medewerking van bewindvoerders door de wet wordt gevorderd.

1. De bij dit artikel bedoelde daden worden in art. 230 der Faillissementswet slechts aangewezen in de algemeene omschrijving: de schuldenaar is onbevoegd tot eenige daad van beheer of beschikking over zijn vermogen.

Men kan de vraag stellen of no. 2 van art. 442 nu wel voor toepassing vatbaar is. De bestuurders en commissarissen zijn niet de gefailleerden, en wanneer zij eenige daad van beheer of beschikking doen, is het niet betreffende hun vermogen maar betreffende dat van de door hen bestuurde vennootschap, maatschappij, vereeniging of stichting.

Art. 230 kan echter niet zóo uitgelegd worden dat bestuurders en commissarissen de vrije hand zouden hebben in het beheer van het vermogen der vennootschap die zij vertegenwoordigen; deze handelt door hen, en ook zij zijn dus onderworpen aan de belemmerende bepalingen der wet. Zij zijn dan ook strafrechtelijk verantwoordelijkvoor de door hen als bestuurders ook van het vermogen verrichte handelingen.

Ook elders in de wet zijn bepalingen voor den schuldenaar, die blijkbaar op bestuurders moeten worden toegepast, bijv. die van het eerste lid van art. 6. Alleen waar de uitdrukkelijke gelijkstelling noodig was is zij in de wet bepaald, art. 106; de bepaling van art. 117 zou misschien overtollig genoemd kunnen worden.

Sluiten