Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. De genoemde daden mogen nu volgens art. 230 niet worden verricht zonder medewerking, machtiging of bijstand der bewindvoerders. Ofschoon de omschrijving van art. 442 dus niet geheel hiermede overeenstemt, is er toch in werkelijkheid geen verschil tusschen de beide bepalingen, tenzij men mocht willen aannemen dat er volgens de Faillissementswet geene daden zijn waarvoor de medewerking gevorderd wordt omdat in plaats van deze altijd bijstand of machtiging kan treden. Deze lezing zou valsch zijn aangezien zij even goed toegepast kan worden op den bijstand en de machtiging als op de medewerking, en er dus ten slotte geene daden zouden zijn waarvoor de machtiging en geene waarvoor de bijstand noodig is, zoodat de schuldenaar eigenmachtig elke daad zou kunnen verrichten.

Wanneer de schuldenaar geene medewerking noodig heeft is het alleen omdat hem machtiging of bijstand verleend wordt, en in dat geval kan de overtreding niet gepleegd worden omdat hij niet eigenmachtig handelt.

3. Eigenmachtig verrichten van daden eischt geen opzet tot voorbijgang van de bewindvoerders; het handelen zonder hunne medewerking is op zich zelf voldoende.

4. De aanmerking die vroeger op het artikel te maken was, dat het niet alle gevallen dekt waarin voorzien moest worden, vermits de provisioneele surséance volgens art. 902 en volgende Wetboek van koophandel noch verzocht noch verkregen werd, maar een gevolg kon zijn van het te kennen gegeven voornemen tot het vragen van definitieve surséance, en er dus een tijdperk was waarin wel bewindvoerders bestonden en ook aan den schuldenaar sommige daden buiten hen om verboden waren (art. 916) maar op dat tijdperk de strafbepaling geene betrekking hadi), heeft na de invoering der Faillissementswet geenen grond meer daar alle maatregelen, ook die der voorloopige surséance, het gevolg zijn van een verzoek tot surséance, niet meer daaraan voorafgaan; art. 214.

!) Polenaar en Heemskerk, aanteekening 1.

Sluiten