Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. De bepaling is intusschen in de praktijk niet enkel toegepast op de genoemde feiten, maar ook op datgene waarvoor zij geschreven is: pijnlijk vervoer. Te dien aanzien is vervoer op noodeloos pijnlijke wijze in de eerste plaats het vervoer dat noodeloos zoo is ingericht dat het pijn veroorzaakt. Maar het geval kan zich ook voordoen dat een bepaald vervoer niet anders kan plaats vinden; kan er dan worden aangenomen dat er overtreding is wanneer het vervoer niet noodzakelijk is? De Hooge Raad beantwoordt deze vraag bevestigend, daar het woord „noodeloos ' alle gevallen omvat waarin het vervoer zóo als het plaats heeft niet noodzakelijk is 1). Deze opvatting zoude ontegenzeggelijk juist zijn indien de bepaling luidde: hij die noodeloos het vervoer doet plaats hebben op pijnlijke of kwellende wijze. Dan toch sloeg ,,noodeloos ook op het doen plaats hebben. Maar zóo als ei' nu eenmaal geschreven staat, past het woord alleen op de pijnlijke of kwellende wijze, en wordt bij uitsluiting strafbaar gesteld hij die een vervoer, noodig of niet, zoo inricht dat liet noodeloos pijnlijk of kwellend is.

De bedoeling des wetgevers mag geweest zijn hem te treffen die een dier met een vervoer belast dat pijnlijk is wegens den toestand \an het dier zelf, omdat dit bijv. verwond of kreupel is, de woorden der wet geven deze bedoeling niet terug 2).

Hetzelfde geldt van de bepaling' sub 30.

4. De bepaling van no. 2 is beperkt tot toepassing op trek- of last-dieren. Vervoer door andere dieren kan dus op zich zelf nimmer aan strafvervolging blootstellen; het zal echter allicht vallen in de termen van no. 1.

Artikel 456.

Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste drie duizend gulden wordt gestraft:

Iu. hij die een voor het publiek toegankelijk huis van hazardspel, onverschillig of de toegang al of niet van eenige voorwaarde of de inachtneming van eenigen vorm afhankelijk is gesteld, opricht of houdt of in de onderneming daarvan deelneemt;

x) Arrest van 27 Juni 1898, WW. 7150, P. v. J. 1898, no. «34.

-) Hierin wordt voorzien in het wijzigingsontwerp van den Minister Cort van der Linden (1900).

Sluiten