is toegevoegd aan je favorieten.

Het Wetboek van strafrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fondsen verstrekt, dan doet die ander dus niets dan eene schenking of eene leening aan den veroordeelde, waardoor diens vermogen voor goed of tijdelijk wordt vermeerderd met een bepaald doel, en rechtens wordt uit dat vermogen betaald. Er is eene praesumtio juris et de jure dat de veroordeelde betaalt, want hij alleen kan de straf ondergaan. In die praesnmtie is ook het tweede lid van art. 24, en eveneens art. 74 geschreven.

Bij 14. Bij nadere beschouwing spreekt het gansclielijk niet van zelf dat het maximum van 90 gulden alleen zal gelden bij die strafbare feiten waarop in het algemeen eene boete van dat of liooger bedrag is gesteld. Uit de Memorie van toelichting (Smidt V, 422) blijkt dat men een algemeen maximum voor jeugdige veroordeelden heeft willen stellen, zoodat, hoe ongeloofelijk het klinke, deze inderdaad 90 gulden boete kan beloopen wegens eene overtreding waarvoor een volwassene met ten hoogste 15 gulden kan worden gestraft (art. 39 septies, derde lid). De reden van deze bijzondere bepaling was dat volgens het wijzigingsontwerp boete alleen zou kunnen worden opgelegd indien de schuldige in staat zou zijn ze uit de opbrengst van zijnen arbeid te betalen. Intusschen is door het amendement van Karnebeek deze bepaling uit art. 39 quinquies van het ontwerp (39 septies van de wet) vervallen. Daarmede verviel dus ook de eenige reden voor het algemeene maximum.

Wel is in art. 344 bis Wetboek van strafvordering een voorschrift gegeven betreffende verhaal van de boete op het werkloon, maar de verplichting tot betaling uit het loon, aan den werkgever opgelegd, hangt af van maatregelen genomen door de tot het verhaal bevoegde autoriteit, waartoe deze al wéér niet verplicht maar slechts bevoegd is. Bij personen die geen vast loon verdienen zijn de maatregelen trouwens niet toepasselijk.

De bepaling betreffende het algemeene maximum lijdt uitzondering voor het geval dat het laatste lid van art. 39 septies in werking treedt, d. i. wanneer ten opzichte van minderjarigen tusschen 16 en 18 jaar de gewone strafbepalingen worden toegepast alsof zij ouder dan 18 jaar waren. Het eenige gevolg van die bepaling is voor boete dat deze opgelegd kan worden in gevallen waarin zij volgens het tweede lid van dat artikel uitgesloten zou zijn. Een ander gevolg is er niet; wel is dan het maximum van 90 gulden niet toepasselijk, maar de rechter behoeft nooit tot dat maximum te gaan, en dus ook niet wanneer hij het gewone maximum niet wil overschrijden een beroep te doen op het laatste lid. Aan het vonnis is dan ook niet te zien of in dat geval naar de gewone of naar de voor minderjarigen geschrevene bepalingen is recht gedaan, want toepassing van vervangende hechtenis blijft uitgesloten, en daarmede minimum en maximum van tuchtschool in stand