Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gehouden. Eene bepaling houdende afwgking is immers nergens geschreven.

Daar nu van plaatsing in eene tuchtschool voor ten hoogste eene maand wel nauwelijks opvoedende kracht te wachten is, zijn jeugdige veroordeelden in elk opzicht van slechtere conditie dan hunne oudere lotgenooten, zoodat het geheele stelsel der oplegging van boete voor hen feitelijk op zuivere toepassing van eene afschrikkingstheorie neerkomt.

De bepaling van art. 23, tweede lid, vindt uitzondering voor loontrekkende kinderen; volgens art. 344 bis Wetboek van strafvordering kan op hen geene vervangende straf worden ten uitvoer gelegd. De vraag is echter of ingeval de dienstbetrekking ophoudt alsnog plaatsing in eene tuchtschool zal kunnen worden toegepast wanneer een deel der boete is betaald. In het algemeen kent de wet geene betaling bij gedeelten en is dus in het geval dat de betaling gestaakt wordt niet voorzien. Toch was hier voorziening noodig geweest. Wel is de boete niet binnen twee maanden betaald, maar vermits latere betaling bevrijdt van toepassing der vervangende straf (art. 24 tweede lid) en bij uitzondering de betaling in gedeelten wel wettig is, schijnt, daar het eenmaal wettig betaalde niet teruggegeven kan worden, toepassing van vervangende straf niet meer mogelijk omdat deze niet voor een gedeelte kan worden toegepast en toepassing nevens boetebetaling uitgesloten is.

Gaat de veroordeelde in eenen anderen dienst over, dan zal de boete op het dan verdiende loon kunnen worden verhaald.

Artikel 27.

Bij 3. De vraag heeft zich voorgedaan of in geval van aanhouding op een van Nederlandsche zijde gedaan verzoek om uitlevering de verzekerde bewaring, krachtens later vonnis in haar geheel in rekening te brengen, geacht moet worden te zijn aangevangen bij de aanhouding in het buitenland dan wel op den dag waarop de verdachte in handen der Nederlandsche justitie is gesteld.

De Redactie van het Weekblad van het Recht beantwoordt de vraag in eerstgemelden zin (Wbl. 7992) omdat de aanhouding geschiedt krachtens bevel van voorloopige aanhouding of van gevangenneming, en art. 27 geen onderscheid maakt.

Maar al is het bestaan van zulk een bevel aanleiding tot en voorwaarde voor de aanhouding ter uitlevering, deze is daarom nog niet de tenuitvoerlegging van dat bevel, die alleen in Nederland kan plaats vinden; do aanhouding is slechts het middel bij tractaat aangewezen om tot de tenuitvoerlegging te geraken.

Het tweede lid van art. 54 en art. 139 Wetboek van strafvordering worden ook eerst toegepast nadat de verdachte in de Nederlandsche

Sluiten