Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en meester beschikken wordt ook aangetroffen in arresten van den Hoogen Raad van 16 October 1905 (Wbl. 8283, P. v. J. 527) en 26 Maart 1906 (Wbl. 8-355, P. v. J. 570); de daaraan toegevoegde beperking: in strijd met den aard van het recht krachtens hetwelk de dader het goed onder zich heeft, heft mijn bezwaar niet op, daar toch ook voor strafbaar vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken, wegmaken strijd met des daders recht, casu quo met het recht krachtens hetwelk hij het goed onder zich heeft, noodig is.

Bij arrest van 26 Juni 1905 (Wbl. 8250) nam de Hooge Raad aan dat de dagvaarding kan volstaan met de handeling enkel toeëigening te noemen. Ik betwijfel de juistheid dezer beslissing; toeëigening is iets dat in de handeling ligt opgesloten of haar gevolg is, maar wijst niet de materieele handeling zelve aan.

Dat aanbieden ten verkoop en onderhandelen over verkoop reeds eene daad van toeëigening is besliste de Hooge Raad weder bij arrest van 16 October 1905 (Wbl. 8283, P. v. J. 527).

Artikel 326.

4a. De beide hoofdbestanddeelen van oplichting, het doen afgeven met oogmerk tot wederrechtelijke bevoordeeling en het gebruik van bedriegelijke middelen, staan nevens elkander en worden niet door elkander bepaald. Daarom kan uit het enkele gebruik van een bedriegelijk middel het oogmerk tot wederrechtelijke bevoordeeling niet worden afgeleid; dit laatste moet evenals het gebruik zelfstandig bewezen worden. Zóo Hooge Raad 22 Januari 1906 (Wbl. 8326, P. v. J. 554)-

Bij 6. Geheel verwaterd schijnt mij het begrip van valsche hoedanigheid in de beslissing dat iemand die zonder betaling eenen bakkerswagen koopt en zich doet afleveren onder voorgeven van mr. bakker te zijn de hoedanigheid van bakkerspatroon aanneemt, Hooge Raad 5 Juni 1906 (Wbl. 8388, P. v. J. 5521. Door deze beslissing worden alle grenzen tusschen de beperkte bedriegelijke middelen die de daad tot oplichting kunnen maken en den uitdrukkelijk uitgeslotenen enkelen leugen weggevaagd.

Artikel 330.

Bij 5. De Hooge Raad besliste bij arrest van 18 Februari 1907 (Wbl. 8497, P. v. J. 622) dat onder eet- en drink-waren niet begrepen zijn die welke voor dieren zijn bestemd, en .zulks op grond dat blijkens

Sluiten