Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

do tweede plaats omdat de edelen zich in alles naar Fransche voorbeelden richtten, en ondanks hun Dietsche afkomst zich Fransche zeden eigen maakten, terwijl de Ylaamsche poorters afkeerig waren van alles wat Fransch of „Walsch" was.

De verdichte ridderverhalen konden den burger niet meer boeien; hij verlangde naar waarheid en vermeerdering zijner kennis. De grondwaarheden van den bijbel, de hoofdfeiten uit de geschiedenis, de merkwaardigste verschijnselen uit de planten- en dierenwereld, in eenvoudigen, bevattelijken vorm meegedeeld, ziedaar wat de naar ontwikkeling hakende burger wensclite.

Jacob van Hacrlant,

omstreeks 1225 in „Brux-Ambacht" (het vrije van Brugge) geboren , is de eerste Dietsche dichter, die aan dit verlangen der burgerij trachtte te gemoet te komen. Aanvankelijk vervulde hij te Maerlant bij Brielle het kostersambt, destijds een vrij aanzienlijke betrekking van een half wereldlijk, half geestelijk karakter.

Van het eiland Voorne met het schitterende hof van Albrecht, den voogd van Floris V, gaat hij omstreeks 1264 naar Damme, een bloeiende handelsplaats met een krachtige, welvarende burgerij. Daar wordt hij stads- of scepenklerk, en vertoeft er tot zijn dood. (± 1293). Zijn komst in het democratische Damme valt samen met een wijziging in zijn kunstenaarsidealen; want had hij zich voor dien tijd bezig gehouden met het vertalen en bewerken van verschillende ridderromans uit het Fransch of Latijn, na 1264 wordt hij de nationale dichter bij uitnemendheid, in wiens werken we weerspiegeld vinden, wat er omging in de hoofden en harten van den ontwakenden burgerstand.

Nergens treedt zijn nieuwe levensbeschouwing duidelijker aan den dag, dan in zijn

Martijnzangen,

te Maerlant begonnen en in Damme voltooid. Het zjjn strofische gedichten, waarin Jacob met een denkbeeldigen Martijn allerlei onderwerpen van maatschappelijken en godsdienstigen aard behandelt.

Sluiten