is toegevoegd aan je favorieten.

Leer- en leesboek ten gebruike bij het onderwijs in de geschiedenis der Nederlandsche letterkunde op gymnasia en hoogere burgerschoolen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV. HET LIED IN DE MIDDELEEUWEN.

Muziek en zang werden door onze voorouders druk beoefend, en in de 14° eeuw bereikte de Nederlandsche muziek zulk een hoogte, dat men in de muziekgeschiedenis kan spreken van „de eeuw der Nederlanders." 't Spreekt van zelf, dat in dien tijd de zangkunst ook zeer geliefd was, en al zijn de meeste middelNederlandsche liederenbundels, die we bezitten, uit de 15e en 16e eeuw afkomstig, we mogen gerust aannemen, dat vele liederen daaruit, reeds in de 13e, althans in de 14e eeuw bekend waren.

Zekerheid kan men daaromtrent niet krijgen, want dit is juist het eigenaardige van het echte volkslied, dat de maker onbekend is, en dat deze omtrent zichzelf niets meedeelt. Eerst in den Rederijkerstijd komen geregeld namen voor.

Noemt men de dichters der epische poëzie meestal trouvères (vinders, scheppers), aan die der lyrische poëzie, tevens meestal ook de componisten der bijbehoorende wjjzen, geeft men in den regel den naam van troubadours. Hun dichterlijke scheppingen werden voorgedragen door jongleurs (rondreizende speellieden) en winstrcels '). Aanvankelijk waren de minstreels rondreizende muzikanten en zangers, maar langzamerhand verbonden zij zich met gokelers en tumelaers, die op de marktpleinen der steden hun kunststukken vertoonden, of met grappen het talrijke publiek vermaakten. Dan komen ook andere namen als spreker, zegger of heraut in gebruik, om een voordrager aan te duiden. Behalve lyrische poëzie declameerden deze laatsten ook sproken, lange, verhalende gedichten, meestal met een zedelijke strekking, en boerden2), gedichten van comischen aard, in den regel een tafreeltje uit het echte, ruwe volksleven bevattende.

1) De uaam minstreel is afgeleid van ministeriales dienstlieden.

2) Naast loerde komt ook voor de vorm boerd, uitgespr. boert-, hiervan zijn afgeleid de Nieuw-Nederlandsche woorden: loert, boertig, boerten.