Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Middel-Nederlandsche liederen verdeelt men gewoonlijk in: a. Wereldsche liederen.

Hiertoe behooren verhalende liederen , als bijv. Het daghet in den Oosten (A), Het waren twee conincskinderen (B), Het lied van Heer Haleicijn (C).

Ook rekent men hiertoe de historische liederen, als bijv. het Lied van Gheraert van Veisen, „hoe (hi) Graef Floris verriet," en het Kerelslied (D), waarin de dichter den spot drijft met de ruwheid, en de vraat- en drankzucht der „kerels." (D. vs. 9 — 13, 26— 31).

Bovendien behooren tot de wereldsche lyriek ook do minne-, dans-, drink- en krijgsliederen.

Kenmerkend, vooral voor de verhalende liederen, zijn de paarsgewijs rijmende verzen (A. B. C.), de groote zoetvloeiendheid (voornl. A. vs. 1—5, 21—23, B. vs. 5—9, C. vs. 36 — 38), het plaatsen van den hoorder midden in het tooneel der handeling (A. vs. 1—9, B. vs. 1—5, C. vs. 1—7) en de verrassende, sobere verhaaltrant. (A. vs. 23 — 25, B. vs 2- 7, 23—25, C. vs. 59—61, 90 en 91).

h. Geestelijke liederen.

Tot de geestelijke liederen behooren, behalve de vertalingen der Latgnsche Kerkgezangen (II.) en Psalmen, ook tal van Marialiederen, Kerstliederen (E.) en Leysen1); verder een aantal omwerkingen van bekende wereldlijke liederen (F.) en een reeks liederen, die episoden bevatten uit de bijbelsche geschiedenis.

Deze laatste vooral zijn kinderlijk naief van voorstelling, terwijl de grens tusschen wereldlijk en geestelijk vaak moeilijk te trekken valt. (E. vs. 17—32).

1) Leysen zijn oorspr. een bizonder soort Kerstliederen die tot refrein hadden: Kyrie eleison, „erbarm u Heer." (Zie G.)

Sluiten