is toegevoegd aan je favorieten.

Leer- en leesboek ten gebruike bij het onderwijs in de geschiedenis der Nederlandsche letterkunde op gymnasia en hoogere burgerschoolen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

A. EEN ABEL SPEL VAN ESM0RE1T, SCON1NCS SONE VAN CECILIEN, ENDE ENE SOTTERNIE DAERNA YOLGHENDE.

Prologhe.

Nu biddic u, heren ende vrouwen ,

Dat ghi wilt swighen ende hoeren.

Het was een coninc hier te voeren,

5 In Ceciliéü was hi gheseten, —

Verstaet, so moghdi wonder weten, —

Ende ghecreech een kint bi sijn wijf.

Maer bi hem hielt hi enen keitijf,

Sijns broeders sone, hiet Robbrecht,

10 Die dat conincrike na recht

Alte male soude hebben verworven ,

Hadde die coninc sonder oer ghestorven Maer nu wert daer een cnecht gheboren,

Dies Robbrecht hadde groten toren 15 Ende int herte groten nijt.

Nu seldi hier sien in corter tijt,

Wat dat den jonghelinc ghesciet,

Ende hoe dat hem Robbrecht bracht in swaer verdriet, Ende enen Sarrasyn heft vercocht,

20 Ende in groten elende brocht,

Ende oec die moeder, diene droech,

Dat si daer na noit en loech In twintich jaren daer si lach,

Ende noit sonne noch mane en sach:

25 Dat beriet her Robbrecht al.

Nu swijt, ende merct hoet beginnen sal.

[Het tooneel is waarschijnlijk in twee helften gescheiden geweest door een rij heesters; de eene helft stelde dan Cecilien, de andere Datnascus voor].

Robbrecht treedt 't eerst op, en beklaagt zich over de geboorte van zijn neefje Esmoreit. Maar hij zal er nacht en dag „om pinen," hoe hij „dat wecht verderven mach:" hij zal 't „versmoren oft verdrinken.'

Ter zelfder tijd heeft de sterrenwichelaar, meester Flatus, in de „planeten ant fiermament" gelezen, dat er in het „kerstenland een