Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de andere kamers, die eenvoudig weigerden haar als „souverein" te erkennen, en nu vaak steun zochten bij den adel.

De werkzaamheden

der rederijkers bestonden in dichtoefeningen en het instudeeren en opvoeren van tooneelstukken.

Jammer voor onze letterkunde, ook van latere eeuwen, ontaardden die „oefeningen in de dichtkunst" (kan het ook anders?) in woord- en rijmgeknutsel, waaraan meestal elke dichterlijke gedachte vreemd was. Om taal en inhoud bekommerden de kameristen zich weinig of in 't geheel niet; de vorm was alles voor hen.

De taal vooral was jammerlijk verbasterd, zoowel door invloed van het Bourgondische huis, als door de navolging der Fransche confréries en colleges. Terecht kon tegen 't eind der 16e eeuw een taalzuiveraar klagen:

.... men spreeckt mij veeltijds toe, dat ick niet en versta;

Ga ick ter kercken, die heeten som tempelen,

Daer allegeert een minister wel goede exempelen,

Yol parabelen, misteriën, glosen en secreten:

Dat heet dan een devoot sermoon bij den sempelen!

Ende so men mij iewers noodt ten eten,

Daer krijgh ick een servyet, als ick ben geseten,

En 't is: „cousin of frère, hebt joyeuse couragie /"

Dan leert men de benedijst, so elck van u mag weten

Al» men God wil dancken: oock schaft m'er potagië

Voor potspijs, voorts venaison en zulcx na d'usagiê,

Marmelaed en sucaden bij boter en kaes,

Excellente dranck en delicate spijs verdrijft dan quellagië,

En dan is 't; vtibi, amoy, avoys, profaes!"

In 't lest leest men de gracy. — Is dit Duyts? Neen 't eylaes, enz.

Maar ook de dichtvormen namen zij van de Franschen over; naamdichten (pag. 101 Conclusie), retrograden, refereinen (pag. 96 A), trioiets, rondeelen enz. waren schering en inslag. Een grootmeester op het gebied van dergelijk geknutsel was M&tthys de Casteleyn, factor van Pax Vobiscum te Oudenaerde, die in zijn Const van Rhetoriken (midden 16c eeuw) nauwkeurig de eischen aangaf,

Sluiten