Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als letterkundige verwierf hij zich den grootsten roem door zijn :

Biënkorf der H. Roomsche kerke" (1568),

een bijtende satire op de R. K. Kerk, hare leerstellingen en ceremoniën, en geheel in den toon der ironie gehouden (B. I, II.). Voor den inhoud zie men de voorrede (B. I.). Hij stelt zich schijnbaar geheel op het standpunt der Katholieken, om juist daardoor de H. Kerk te scherper te kunnen treffen, en haar aan de openbare bespotting prijs te geven.

Aan het slot geeft hij een uitlegging en verklaring (B. III.), waarin hij een doorloopende vergelijking maakt tusschen een bijenkorf en de Katholieke Kerk met haar dienaren. Ook hier tracht hij de Katholieke Kerk bespottelijk te maken.

Hier en daar is hij echter smakeloos en grof, 't geen voor een deel zeker op rekening van den tijdgeest gesteld moet worden. Toch blijft het boek, door zijn destijds ongeëvenaarden, krachtigen, helderen en boeienden prozastijl, een der schoonste letterkundige producten uit de 16e eeuw.

Als dichter is hij vooral bekend door zijn lied aan den Prins,

het Wilhelmus van Nassouwen (A.),

en andere Geuzenliederen.

Zijn dichterlijke vertaling der

Psalmen,

hoe ver ook, uit een oogpunt van kunst, staande boven die van Datheen, werd door de Synode niet aangenomen en bij de laatste achtergesteld, welke tot 1773 bij de Herv. Kerk in gebruik bleef.

Sluiten