Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In 1618 maakte de dood een einde aan zijn leven, dat in de laatste jaren vroom en ingetogen was geweest.

„Hij is gestorven, wild maar weelderig bloeiende loot wien het aan zonneschijn ontbrak, in den opgang van het leven. Toch heeft hij in dien korten tijd veel gewrocht; men legge naast elkander, wat Vondel, Hooft en Breeroo vóór hun 32ste jaar gedicht hebben, en oordeele."

A. LYRISCHE POËZIE. 1. Uit: Boertigh Liedt-boeck.

ö. Kluchtigh Boeren Geselschap.

Stemme: 't Waren twee Gebroeders ttout, Sfc.

Arent Pieter Gysen, met Mieuwes, Jaap, en Leen, En Klaasjen, en Kloentjen, die trocken t'samen heen Na 't Dorp van Vinckeveen;

Wangt ouwe Frangs die gaf sen Gangs, 1 Die worden of ereen.

Arent Pieter Gysen die was so reyn int bruyn, Sen hoedt met bloem-fluwiel die sat hem vry wat kuyn, Wat scheefjes en wat schuyn,

So datse bloot, ter nauwer noot btongt hallif op sen kruyn.

Maar Mieuwes, en Leentjen, en Jaapje, Klaas en Kloen Die waren ekliedt noch op het ouwt fitsoen,

In 't root, in 't wit, in 't groen,'

In 'tgrys, in 't graeuw, in 'tpaers, in 'tblaeuw, Ghelyck de Huysluy doen.

As nou dit vollickje te Vinckeveen anquam,

Daer vongdese Keesjen, en Teunis, en Jan Schram, En Dirck van Diemerdam,

Mit S ij men Sloot, en Jan de Doodt,

Mit Tys, en Barent Bam.

Sluiten