Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lek ghcor o myn schoon. Ick gheer, o myn schoon. Gheen Koninx scepter noch Keyzers kroon.

Want de rust en opperste wellust leyt,

10 In oen onbekommerde vernoeghehjekheit,

En niet in het ghelt, en niet in het ghelt Dat staagh zijn meester met zorghen quelt.

Daarom Prinsesje zoo acht ick aldermeest De gaven van u doorluchtighen gheest, 15 En u hoogh vernuft, en u groot vernuft,

Dat alle de werelt braveert en puft.

2. Uit: Grooten bron der minnen. (Amoreus Liedt-boeck).

Sonnet.

Vroegh inden dagheraadt, de schoone gaat ontbinden, Den gouden blonden tros, citroenich van coleur,

Gheseten inde lucht, recht buyten d'achter-deur,

Daer groene wijngaart-loof, oyt louwen muyr bemindo. 5 Dan beven amoureus de lieffelijckste winden,

In 't ghele sijdich hayr, en groeten met een geur,

Haer Goddelijck aanschijn, op dat sy dese keur Behieldt, van daghelijcx haar daar te laten vinden. Gheluckigh is de kam, verguldt, van Elpen-been, 10 Die dese vlechten streelt, dit waardigh zijnd' alleen; Gheluckigher het snoer, dat in haer dichte tuyten Mijn ziele mee verbint, en om 't hooft gaat besluyten, Hoewel ick 't liever sie wildt-golvich na sijn jonst, Het schoone van natuyr passeert doch alle konst

3. Uit: Aendachtigh Liedt-boeck.

a. Geestigli Liedt.

Stem : Ick schou de Wereld an.

1.

Wat dat de wereld is,

Dat weet ick al te wis (God betert) door 't versoecken: Want ick heb daer verkeert 5 En meer van haar geleerd Als vande beste boecken.

Sluiten