is toegevoegd aan je favorieten.

Leer- en leesboek ten gebruike bij het onderwijs in de geschiedenis der Nederlandsche letterkunde op gymnasia en hoogere burgerschoolen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En sou hy niot vermoon, hy had' con tsech ghedaen 125 Die hups en Iustigh wag? maer wie soudt konnen weten, Dat gist'ren noch van daech, hy niet en heeft ghegheten, Dan een kruympje drooch broot, dat ick droech op mijn borst, In plaets van een Tresoor, wel gruysich en bemorst?

O Godt u wercken zijn van wonderbaer vermoghen, 130 Wie sou niet met de schijn van welstant zijn bedroghen? De Jonghman komter an, en treet ghelijck een Prins Die geenigh dinck ghebreckt, maer die 't gaet na sijn wins, Hy is wel uytghedost en komt hier an brageeren,

Al had hy duysent pont om jaerlijcks te verteeren , 135 Wie sou eens dencken dat sijn bulster of sijn bedt Gheen daelder waert en is, met alles wat hy het?

Wie sou eens dencken dat hy smorgens kan ghedooghen Syn handen, aensicht, aen een vuyle slet te drooghen? Ach dit denckt niemant niet! maer ghy weet Heer, met mijn 140 Hoe veel dat hem ghelijck in dese werelt zijn,

Die meer om yd'le eer en pronckerye lijden ,

Als om u heil'ge wil: O recht vermaledijde En lichte glory van een sulcken sot ghemoet,

Dat ziel en lyf veeltijts hier banckrottieren doet.

145 Wel hoe ben ick soo veer met myn ghedacht ghekomen? Voorseecker was ick daer gheweldigh op ghenomen.

Nu wil ick binnen gaen en sluyten 't deurtjen toe,

Want 't is vooral het best, dat ick myn werck of doe.

Jerolimo heeft ondertusschen een paar straatmeiden ontmoet, die hem aanspreken; hij maakt voor haar de mooiste strijkages, zegt de liefste woordjes en zwetst van zijn voorname Trienden; maar als zij met hem naar eene herberg willen gaan, heeft hij plotseling geen tijd meer. Nadat An en Tryn elkaar allerlei bizonderheden uit haar leTen hebben opgebiecht, zien wij Jerolimo thuiskomen, die daar Robbeknol vindt. Deze, die aan 't bedelen geweest is, doet zich te goed aan allerlei eetwaren, en de jonker, ofschoon hij beweert reeds gegeten te hebben kijkt er met begeerige oogen naar.

Rob. {die gluurt ter zyen uyt). Hoe loert hy op mijn pens, hoe kijckt

hy na mijn broot. 150 Ay siet hy treckt niet eens een ooghje van mijn schoot, Die nu mijn tafel is: siet sijn ghesicht eens vrijen,

'k Heb met den armen bloet waerachtich medelijen,

Want ick heb menichmael gheleden dat ghewelt,

En ly oock dagelijcks het gheen dat hem nu quelt. 155 Wat sal ick doen? hem noon? hy sal 't my geen danck weten: Want siet hy seyt dat hy te middach heeft gliegeten,