Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moeien. Er komen meer schuldeischers opdagen, die allerlei goederen aan Jerolimo geleverd hebben; op bevel van den Schout wordt nu de deur van zijn huis opengebroken, maar de fleggchentrekker heeft er niets in achtergelaten. De vrouwen pleiten voor Robbeknol en de kijvende schuldeischers moeten schout en notaris nog betalen voor hunne moeite:

Robbeknol spreekt de epiloog uit:

195 Myn Heeren, wie ghy syt, heeft u dit spel behaeght? Soo ghy u ghelt en tydt in geener wys beklaeght,

So toontet ons met vreucht, en doet my alle na,

En soo 't u wel ghevalt, zoo roept een-stemmigh Ja.

(Onder den tekst staat):

Volmaeckt in H Jaer 1617. in April.

G. A. Bhederood.

t Kan verkeeren.

§ 4. Joost van den Vondel (1587—1679).

Joost van den Vondel, de „prins onzer dichteren," werd in 1587 te Keulen geboren, waarheen zijn ouders waren uitgeweken, toen de vervolging der Spanjaarden het hun in Antwerpen te bang maakte.

Zoodra echter de Noordelijke Nederlanden het Spaansche juk hadden afgeworpen, en meer en meer een veilig toevluchtsoord werden voor vervolgden en verdrukten, trok de familie Vondel naar Utrecht. Nauwelijks een jaar later werd Utrecht voor Amsterdam verwisseld, en vestigde de oude Vondel zich als kousenkooper in de Warmoesstraat.

De oudste zoon Joost, toen een tienjarige knaap, werd voor den kousenhandel bestemd, en al vroeg van school genomen, terwijl zijn jongere broer een meer zorgvuldige opvoeding ontving en later in het buitenland promoveerde. Toch is deze minder bekend dan de eenvoudige Joost, die reeds op zeer jeugdigen leeftijd een grooten aanleg voor de poëzie toonde te bezitten.

Als Z.-Nederlander van afkomst, werd hij lid van de „Bra-

Sluiten