Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hy schut vergeefs sich selven moe, Wie schutten wil den stareken vliet, Die van een steyle rotse schiet 20 Na haren ruymen boesem toe.

Soo draeyt de weereldkloot; hetsy De vader 't liefste kind beweent Of 't kind op vaders lichaem steent: De dood slaet huys noch deur voorby.

25 De dood die spaert nocht soete jeughd, Nocht gemelycken ouderdom.

Sy maeckt den mond des reedners stom, En siet geleerdheyt aen nocht deughd.

Gelukkigh is een vast gemoed,

30 Dat in geen blijde weelde smilt, En stuyt, gelyck een taeye schild, Den onvermybren tegenspoed.

3. Reien.

o. Rei van Eubeeërs.

(3de bedrijf v/d. Palamedes).

Alree het dun gezaeyt gestarnt ^rflaeut, en niet soo vyerigh barnt. De schaduwe is aen 't overleenen. De nacht het opgeeft. Voor sich heenen, De morgenstar drijft 's hemels heyr. De voerman van den grooten beyr,

Opdat hy sijne beuit verwissel, Die vlught met omgekeerde dissel. De goude Titan rijst alree 10 Met blaeuwe paerden wt der zee, En schittert over bosch en duynen. O wellekoome morgenstont!

Gy voert hem spelen in den mond Van endeloose salighede,

15 Die, lustigh, rustigh, wel te vrede,

Sluiten