Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Beschout wat ons natuure geeft: Wat schoonheyt in haer aenschijn sweeft: Wat Godlijck word, door alle haer leden, Yan 't diep verwondren aengebeden. 20 Die in een liefelijcke streeck,

By 't ruyschen van een silverbeeck,

Sijn landhuys sticht, en boersche wooning, Wat is dat een gezegent Koning!

Die niet en vlamt op ydel lof,

25 En sjjne lusten met sijn hof

Vernoeght, en indrinckt met sijne ooren Den vooglensangh, die sich laet hooren , Als d'uchtentdou lanhworpigh leyd By druppels hier en daer gespreyd: 30 Op roosebladen, versch ontloocken:

Wanneer sich opdoen duysend roken, En duysend kleuren, voor het oogh, Yan bloemen: als een regenboogh,

Als Iris' bruylofskleet geweven: 35 Een schildery, die swijmt na'et leven. Hy plant, hy poot, of hy verset,

Belaegt de voglen met sijn net; Of overlenende met yver,

De spartelvisch trekt wt den vijver, 40 Met sijn gebogene hangelroe;

Of is hy suleke spelen moê,

Hy spand sijn' paerden in, voor 't daegen, En gaet met honden 't knijn belaegen: Of rijd, by klaeren sonneschijn,

45 Door wegen, die gestrengelt sijn Als voormaels der Cretensen doolhof.

Hier bloeyt een afgetuynde koolhof:

Daer lacht een beemd, een klaeverwey, Omcingelt met een' boomenrey. 50 Men leeght der koeyen uyers wacker;

Hier swoeght en ploeght men op den acker, En ginder hoopt men op 't gewas;

Daer saeyt men boekweyt; ginder vlas:

Hier groeyt en bloeyt het weeldigh kooren, 55 Omheynt met steeckelige dooren;

Daar spoeyt een speeljaght over 't meer: Hier roockt een dorrep: ginder veer Een slot wil in 't verschiet verflaeuwen, En hooger op 't geberghtc blaeuwen.

Sluiten