Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De hofpylaren schudt, de kreitsen, en de starren, Verbystert in hun ronde en ommeloop, verwarren, Of zwijmen op de wacht, en weten niet waer heen Te dry ven, oost of west, of boven of beneên. 305 Al weêrlicht wat men ziet, al wat men hoort, is donder.

"Wat blyft'er in zyn' stant? het bovenste raeckt onder. De heiren, na'et gedreun van 't eerste schutgevaert, Geraken hantgemeen met knods, en hellebaert,

En sabel, speer, en dolck. Het gaet'er op een kerven, 310 En steken. Al wat kan, wat toeleit op bederven,

Op schenden, rept zich nu, bederft, en treft, en schent. De broederschap heeft uit, en niemant ziet noch kent Zyn' medeburger meer. Men ziet'er parle huiven, Gekrolde vlechten hairs, en pluim, en pennen stuiven, 315 En schitteren, in 't vier der blixemen gezengt.

Men ziet turkoisblaeu, gout, en diamant gemengt, En perlesnoer, en wat de hairlock kon vercieren. De vleugels, half geknot, gebroke pylen zwieren En zweven door de lucht. Een gruwzaem veltgeschrey 320 Verheft zich uit den stoet der groene lievery;

Daer lyt het kryghsheir last, geperst uit noot te deizen. De dolle Lucifer hervat den stryt drie reizen,

En stut de flaeute van zyn regement zoo trots,

Gelyck het zeegedruis al schuimende op een rots 325 Gestuit wort, reis op reis, en meer niet uit kan rechten

§ 5. Jacob Cats (1577—1660).

De populairste dichter uit de gouden eeuw was ongetwijfeld de geleerde, Calvinistische zedepreeker, aan wiens werken bijna twee eeuwen een eereplaats werd toegekend in de burgergezinnen onzer gewesten.

„Yader" Cats werd in 1577 te Brouwershaven geboren, ontving een zorgvuldige opvoeding van een oom te Zierikzee, die hem na den dood zijner moeder tot zich nam, studeerde te Leiden en te Orleans en vestigde zich daarna als advokaat in den Haag. Later werd hij pensionaris, eerst van Middelburg en daarna van Dordrecht, tot hij in 1636 geroepen werd tot het

Sluiten