is toegevoegd aan je favorieten.

Leer- en leesboek ten gebruike bij het onderwijs in de geschiedenis der Nederlandsche letterkunde op gymnasia en hoogere burgerschoolen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Saden 27, 44 verzadigen.

saen 18, I spoedig.

sammelen 138, 79 talmen, dralen.

sas 47, 27 Sakser.

schae 131, 7 jammer.

scaec 13, 5 schaakbord.

scaerde mv. 6, 30 kerven, breuken.

scalk 47, 14 bedrieger; 48, 53 knecht,

dienaar.

scame 47, 40 schande.

schappraey 119, 5 etenskas.

scheden 79, 22 scheiden, oordeelen. scerne 15, 102 spot.

schier of morgen 137, 21 vroeg of laat. sciere 36, 77 spoedig.

sciet 8, 30, scheidde.

stinken 30, 158 schenken; vaak in

de beteekenis van slagen geven. scoren 31, 191 scheuren.

scout 75, 59 schuld.

schudde 141, 28 schoelje, fielt.

scuere 16, 9 scheur, opening.

scus 81, 113, schors.

secreten 97, II geheimen.

seinen (hem, haer) 10, 121 een kruis slaan.

selke 21, 30 zulko dingen.

selsdp 151, 26 gezelschap selveryn 13, 14 zilveren, van zilver. serpent 15, I draak.

sident 17, 55 sedert, later.

Simoïs 186, 4 Trojaansche middenrivier.

simptueus 220, 237 deftig.

sleter 58, 19 flarde, lap.

slijm 193, 113 .slijk.

slincke 200. 261 linker, linksche.

smale 34, 2 slanke, schoone; gezegd

v. e. meisje.

smeken 29, 135 vleien; 80, 86 zacht

behandelen.

smeerigh 136, II vleiend, lief.

smilen 71, 16 slaan

smockuel 157, 49 smokkelbier.

snapperkaken 156, 42 mompelen.

sonder 45, 38 behalve.

sondersse 37, 14 zondares.

spaereken 45, 27 fonkelen.

spiet 49, II speer.

sporen 113, 6 speuren, zoeken.

stappans, staphans 58, 27 terstond.

stappel (Die — enz.) 13, 12 het was

met goud en zilver ingelegd.

stoet 21, 20 stond.

storen (haer) 128, 23 boos worden. strack 223, 53 dadelijk.

sulc — sulc 30, 175 de een — de ander. swymt 187, 47 zweemt.

Tale 9, 83 gesprek.

tansens 156, 21 aanstonds.

lelie 134, 91 telganger, hakkenei.

telt 37, B, I telgang.

tempeest 69, 22 storm.

tes 21, 27 totdat.

tfi 6, 51 uitroep.

tijen 182, 5 trekken.

toghen 49, 28 toonen.

toght 129, 55 hartstocht.

toren 7, 26 verdriet, ongeval.

torre 21, 26 toren.

trac 38, 42 trok.

trauwen (bi uwer) 27, 43 bij uw eer.

treflijk 141, 16 aanzienlijk.

trensoen 16, 19 lanspunt.

tril (op ter) 139, 47 op den loop.

tsech 159, 124 smulpartij.

turnen 6, 42 tuimelen.

tune 29, 99 omheining.

tuyehje 151, 22 alles wat aan den

onderriem of gordel hangt.

tuyten 152, 2, II vlechten.

twi 47, 35 waarom.

twien 37, 16 twijfelen.