is toegevoegd aan je favorieten.

De onuitgegeven parlementaire redevoeringen van Mr. J. R. Thorbecke

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opgave der redenen, die mij van vroegere meening hadden teruggebracht; maar ik hecht er tevens aan dat mijne meening. hetzij van vroeger hetzij van later tijd. niet onjuist worde voorgedragen. Ik heb dat, wat de spreker mij toeschrijft, nooit gezegd, ik heb het tegendeel verklaard, en ik heb dit gedaan in diezelfde rede, die de geachte spreker heeft aangehaald, maar waaruit hij heeft weggelaten datgene, wat er het kenmerkende van uitmaakte.

Ik mag mij niet ontslaan. Mijnheer de Voorzitter, van u te vergen, dat gij de voorlezing van eenige regelen gelieft aan te hooren: het is eene rede, gehouden den 12den December IS50 >). Daar was door een lid dezer Vergadering, ik meen door den heer Mackay, van eene „conventioneele Regeering" gesproken. Hij had eene conventioneele tegen eene constitutioneele Regeering overgesteld, en daarop antwoordde de toenmalige Minister van Binnenlandsche Zaken:

„Ik heb het begrip niet kunnen vatten van de conventioneele Regeering in tegenoverstelling eener constitutioneele Regeering. De geachte spreker zeide. dat eene conventioneele Regeering was degene waar de meerderheid meesteres was. Nu dacht ik. dat wanneer men sprak van eene conventioneele Regeering. men eene Regeering bedoelde, waar elk zich bij verdrag, en dus vrijwillig verbonden had. en waar derhalve aan geen dwang der meerderheid kon worden gedacht. Ook dit is mij niet duidelijk voorgekomen hetgeen die geachte spreker verder zeide. dat men niet op hetgeen de meerderheid wil, moet letten, maar op hetgeen recht was. Ja. Mijne Heeren. de stelling, zóó voorgedragen, is zeker boven allen twijfel verheven, en zal door niemand worden tegengesproken. Maar wie waant zich in het bezit van die volstrekte kennis van hetgeen recht is? Gij minderheid, zijt met den wil der meerderheid niet tevreden. \\ aar uw wil. de wil der minderheid, verschilt van dien der meerderheid, wie beslist daar? Verlangt gij, dat bij de verkiezingen de meerderheid tot vertegenwoordiger hem kieze. dien de minderheid, niet dien zij zelve wil? Dat deze Kamer zich schikke naar hetgeen de minderheid houdt voor recht?"

Ziedaar, Mijnheer de Voorzitter, het beginsel erkend, dat geenszins de wil der meerderheid, daarom alleen, omdat de meerderheid dien verklaart, recht is. Met verwerping van dat stelsel, dat de geachte spreker zeer teü onrechte aan de constitutioneelen hier te lande heeft toegeschreven — zeer ten onrechte aan mij althans toeschrijft — met verwerping van dat stelsel zegt hij: „mijne leus is individueele vrijheid: het individu in zijne oneindige verscheidenheid is de onveranderlijke grondslag van het recht: niet de wil

') Zie Dl. I. 185Ü—1851. blz. 32.