Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waard mij het gezelschap van den spreker ook zij — ik voeg mij aan de andere zijde bij den Staat, bij de maatschappij, bij het algemeene belang.

De Minister van Justitie heeft in de vergadering van gisteren verklaard, dat hij over den uitleg der Grondwet nooit met de constitutioneelen had ingestemd. Deze, heeft hij gezegd, „willen de Grondwet verwringen naar een imaginair constitutioneel stelsel." Dat zal dan wel zijn eene theorie van constitutioneel recht buiten de Grondwet.

Ik zie hoe licht men iemand te vroeg beoordeelt of veroordeelt, want zoo ik mijne herinnering raadpleeg, zoo ik raadpleeg 't geen ik vroeger en later zoo menigmalen in de maatschappij heb vernomen. zou ik gedacht hebben dat zulk een verwijt, gij legt de Grondwet naar een imaginair stelsel uit, inzonderheid gericht werd aan den heer Donker Curtius, niet aan de constitutioneelen, die zich met eene bescheiden, stellige uitlegging der Grondwet binnen hare perken, hebben vergenoegd. Maar, Mijnheer de Voorzitter, ik ben geen vriend van het aanhalen van antecedenten om iemand met zich zeiven in tegenspraak te brengen. Ik eerbiedig de vrijheid, die ieder heeft om op welk tijdstip hij dit goedvindt zich te verklaren voor eene meening: ik behoude mij slechts de vrijheid voor, de gronden te beoordeelen. die hij voor die meening bijbrengt. En dat inderdaad, ik durf niet zeggen ten aanzien van de Grondwet in het algemeen maar ten aanzien van een voornaam punt, verschil van uitlegging tusschen de constitutioneelen en den Minister van Justitie thans, misschien ook vroeger, in allen gevalle nu bestaat, dit is mij gebleken, en zal mij later aanleiding geven tot eene opzettelijke behandeling.

II. Men heeft in den loop dezer discussie meermalen, soms met nadruk, van het zoogenaamde programma van dit Ministerie gewaagd. Ik heb aan dat programma — zoo ik het dus noemen mag — nooit ernstig gehecht. Het is mij altijd voorgekomen als een gezocht, verbloemend motto voor de optreding van een Ministerie, waarvan de beteekenis voor niemand duister was. Men heeft het programma met ernst behandeld, ernstiger dan ik wachtte. Men heeft dit gedaan niet alleen met betrekking tot de toekomst, want had men zich daarmede vergenoegd, ik zou wellicht nu gezwegen hebben, maar men heeft van dat programma ook gesproken met betrekkingtot het voorleden, met betrekking tot het voorgaande Ministerie. Men heeft dat programma tot eene vernieuwde kritiek van het voorgaande Gouvernement ijverig geexploiteerd. En nu zou ik, zoo mij toeschijnt, te kort doen aan de verantwoording, die ik, als lid van dat vorig Ministerie, verplicht ben ook later nog te geven ten aanzien van het stelsel, de richting, de handelingen van dat Gouvernement. indien ik te eenen male zweeg.

Sluiten