Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wetten, voor zoover die van de Kroon afhangt." Derhalve is op den Minister rechtstreeks, onmiddellijk, de plicht gelegd, om zelfstandig voor de uitvoering van de Grondwet en der andere wetten te zorgen, voor zoover die van de Kro-n afhangt. Bij die zelfstandige zorg. op don Minister gelegd, behoef ik niet te zeggen wat. zoo hij in de vervulling van dien plicht, door niet-overeenstemming op een of ander punt met den Koninklijken wil, mocht worden gehinderd, de Grondwet van den Minister vordert.

De Minister van Justitie heeft ons gisteren gezegd: de constitutioneelen willen de Ministers vóór den Koning plaatsen; de Grondwet plaatst den Koning vóór de Ministers. Beeldspraak leidt licht tot verwarring. Ik zal dus. zonder beeldspraak, eenvoudig de vraag stellen: „Beoordeelen wij de regeeringsdaden als Koninklijke, of als ministerieele daden?" Het antwoord kan, dunkt mij. niet twijfelachtig zijn. De Koninklijke regeeringsdaad als zoodanig, het persoonlijk deelgenootschap van den Koning aan de regeering, is aan de beoordeeling onttrokken. Ons oordeel, en ieders oordeel, heeft slechts te doen met de Ministers. En in dit opzicht moeten de Ministers staan vóór den Koning om Hem te dekken tesjen het oordeel, dat over de regeeringsdaden mag en moet worden "geveld.

rDe Ministers zijn," zeide het lid uit Utrecht (de heer van Goltstein), in overeenstemming met den Minister van Justitie, „dienaren van den Koning". Mijnheer de Voorzitter, de Ministers zijn onderdanen van den Koning gelijk al de ingezetenen van het Kijk; maar zij zijn geene gewone dienaren des Konings; zij dienen den Koning volgens hunne overtuiging en volgens hunne overtuiging alleen: dat is hetgeen de Grondwet wil.

De Minister van Justitie, Mijnheer de Voorzitter, zegt aan de constitutioneelen: „gij plaatst de Ministers vóór den Koning; ik plaats den Koning vóór de Ministers." Het verwijt is wellicht enkel eene woordspeling, en treft dan niemand. Want dat de Koning boven de Ministers staat, dat Hij het hoofd is van de Kegeering, dat is eene door niemand betwiste waarheid. Maar hoe bedenkelijk het is, den Koning te plaatsen vóór de Ministers, die omgekeerd, zooals de constitutioneelen verlangen, den Koning behooren te dekken, moge een voorbeeld aantoonen.

Aan de eerste Nationale Vergadering van Frankrijk gingen, ieder herinnert het zich. twee vergaderingen van notabelen vooraf. De eerste was bijeengeroepen om zekere finantieele maatregelen van den toenmaligen minister van finantiën, Calonne, door haar advies te bekrachtigen. Wat gebeurt V Toen de ontwerpen van den minister bij de vergadering tegenspraak ontmoetten, uitte Lodewijk XVI de woorden: .Je veux qu'on sache t/ue je suis content de won controleurgênéral."

Controleur-génêral was toen de titel van den minister van financiën.

Sluiten