Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1 December. Artikel 28. „Geheime correspondentie-gelden ten dienste der politie in het algemeen, f 10,000". De heer van deiVeen had voorgesteld het woord „geheime" in de omschrijving van dit artikel te doen vervallen, en het artikel te verminderen tot f 7000.

Ik ondersteun de beide deelen van het amendement.

Ik voor mij zou gewenscht hebben dat de geachte voorsteller die twee deelen als afzonderlijke amendementen had voorgedragen, maar dit belet mij niet beide te ondersteunen, zoowel het voorstel om het woord geheime te doen wegvallen, als dat om de som met f 3000 te verminderen.

Ik wenscli evenzeer als de geachte voorsteller het woord geheime te laten wegvallen. Geheime, bij politie gevoegd, brengt een denkbeeld mede dat. zoo geloof ik. de Minister van Justitie zelf niet zou willen voorstaan. Ik behoef den Minister niet te herinneren, welk misbruik van de som, onder dit artikel uitgetrokken, in vroeger jaren gemaakt is en gemaakt kon worden, omdat dat woord geheime in het artikel stond. Wat toch is het gevolg ? Dat de Rekenkamer de uitgaven op dien post moet verevenen zonder ze te kennen ; dat men dus alle uitgaven, van welke natuur ook, onder dien naam kan doen verevenen.

Ik neem aan, dat men in het geval kan komen, uitgaven te moeten doen, die niet ter kennis van het publiek behooren te worden gebracht: maar ik kan mij niet voorstellen dat er thans nog uitgaven behooren te worden gewettigd, die geheim blijven voor de Vertegenwoordiging.

Weglating van het woord geheime zal slechts verhinderen, dat uitgaven verevend worden op dezen post, die met de omschrijving van den post niets gemeen hebben. Er pleit voor die weglating nog deze reden. Gesteld de Minister van Justitie had in het belang van de politiecorrespondentie geheime uitgaven te doen. die niet bij de Rekenkamer en nergens wierden gerechtvaardigd, de Minister zou, ook zonder vermelding van geheime uitgaven in zijne begrooting, zoodanige uitgaven toch kunnen doen. Hij zou dit kunnen op grond van art. 30 der wet op de Rekenkamer, dat aan het slot zegt: „Wanneer dit door den Koning, in bijzondere gevallen, mocht worden bepaald, zal die vrijstelling (van overlegging van bewijsstukken) zich ook uitstrekken over betalingen, aangewezen op de som, bij de wet van onvoorziene uitgaven te zijner beschikking gesteld." Aangenomen dus, de Minister van Justitie behoeft de bevoegdheid tot geheime uitgaven, hier, in de begrooting, behoeft hij geen post voor geheime uitgaven.

Ik hecht te meer aan de voorgestelde verandering, omdat bij dit ontwerp van wet dit art. 23 is opgenomen in art. 2 onder die, welke kunnen worden aangevuld uit den post voor onvoorziene

Sluiten