Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te verantwoorden van de verhooging, welke de Rijksbegrooting in de jaren 1850 tot 1853 onderging. Ik erken, die Minister heeft het zijne gedaan, om de publieke werken en de subsidiën populair te maken. Maar is hij oorzaak, dat deze Kegeering de juiste maat niet meer kan betrachten, en op dien weg met de grootste snelheid onwederstaanbaar moet voortgaan ?

Ik laat de begrootingen van vroegere jaren rusten. Die van 1847, 1848 en 1849 zijn bij vroegere discussiën meermalen vergeleken met de begrootingen van den laatsten tijd. Ik zal in die vroegere begrootingen niet treden, schoon ik geloof het met groot voordeel voor de bescherming der begrootingen van 185(1 tot 1853 te kunnen doen. Ik zal daar niet in treden, want die begrootingen zijn opgemaakt onder de oude orde van zaken, volgens andere dan onze begrippen. Ik weet wel. er zijn die meenen, dat de jaien, die 1848 voorafgingen, bij uitnemendheid het tijdvak van bezuiniging zijn geweest: ik verzoek hun slecbts het mij niet kw alijk te nemen, zoo ik het een tijdvak van weelde noem.

Ik neem de laagste begrooting. die van 1850, opgemaakt na de vestiging der nieuwe orde, tot grondslag van vergelijking. Die van 1849 was opgemaakt in 1847. dus nog in den ouden stijl. Ik zal, Mijnheer de Voorzitter, cijfers moeten noemen: ik zal het doen zoo eenvoudig en helder mogelijk, om het overzicht, dooi getallen zoo licht belemmerd, gemakkelijk, ook voor den hoorder, te maken. Ik zal ronde cijfers noemen en het juiste cijfer laten drukken in het Bijblad.

Vergun, dat ik de verhoogingen, welke de begrooting van liet Ministerie van Binnenlandsche Zaken van 1850 tot 1853 heeft

ondergaan, doorloope.

Iste af deeling. Kosten van het Departement. Het getal der afdeelingen werd met vier vermeerderd: Algemeene zaken en comptabiliteit; Nijverheid, Medische politie en Adel. De laatste afdeeling ontstond bij de afschaffing van den Hoogen Kaart van Adel, waarvoor in 1850 op liet Ilde hoofdstuk dei begiooting f 14,250 was uitgetrokken, eene uitgave die nu verviel.

Werd bij die vermeerdering van afdeelingen, bij de groote uitbreiding van werkzaamheden in de jaren 1850 tot 1853. de uitgave voor het personeel en het getal der ambtenaren verhoogd? De uitgave was in 1850 gesteld op f 123,000; zij werd op de volgende begrootingen verlaagd tot f 118,000. die niet geheel werden uitgegeven. Het getal der ambtenaren werd eveneens verminderd; het bedroeg in 1850 98, en daalde vóór 1853 tot 89.

Ik merk op, Mijnheer de Voorzitter, dat de aanvraag voor dat personeel nu weder verhoogd is, eene dubbele verhooging, want vóór en in 1853 werd van de toegestane som overig gehouden; zoodat, wanneer men dat overschot voegt bij liet thans voorgedragen

Sluiten