Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Minister gekozen heeft, goed en verstandig is. zoolang hij geen plan heeft beraamd, ook geen geld te vragen. En ik zou het aan de zijde van de Vertegenwoordiging onverantwoordelijk achten, zoo zij op lossen voet, zonder een aannemelijk plan van den Minister vernomen te hebben, gelden toestond.

De Minister zegt ten andere: „de scheepsbouw is in een tijd van overgang, en ik heb mijne keus nog niet kunnen vestigen". Wat mij betreft, Mijnheer de Voorzitter, ik ben huiverig over die stelling, over dien grond, tegenover een zaakkundige een advies te hebben. Ik kan alleen dit zeggen, dat wanneer de Minister zich op de gedurige beweging beroept, waaraan de wetenschap en de ondervinding in onzen leeftijd onderhevig zijn, wij evenwel met den wederopbouw van onze scheepsmacht niet kunnen wachten totdat de wetenschap en de ondervinding stilstaan. Zoo er in de laatste jaren eene groote veranderlijkheid heerschte, wie waarborgt den Minister, dat zij niet zal voortduren, ja toenemen? Ik vraag derhalve, Mijnheer de Voorzitter, op welken grond oordeelt de Minister, ons binnen één jaar met meer zekerheid dan tot dusverre, een stelsel van wederopbouw onzer scheepsmacht te zullen kunnen voorleggen ?

Ik voeg daar eene ondergeschikte vraag bij, die zich aansluit aan de bedenking, door den geachten afgevaardigde uit Dokkum (den beer Ter Bruggen Hugenholtz) over de staten, zooals die ons zijn medegedeeld, geopperd. Ik zou gaarne van den Minister vernemen. hoeveel schepen er in de laatste drie of vier jaren zijn aangebouwd. Ik heb gezien dat er in de laatste jaren 15 schepen zijn verloren gegaan, maar hoeveel kwamen er in de plaats? Eene eenvoudige opgave van dat cijfer zoude voor mij meer licht, dan tot dusverre, over hetgeen gedaan en niet gedaan is. doen opgaan.

Ik kan mij niet tevreden laten stellen door de opmerking van den geachten spreker uit Deventer (den lieer Storm van 's-Gravesande), dien ik hoorde zeggen: „de Minister kan dwalen in de inzichten, die hij ons mededeelt, maar de Minister heeft naar zijne overtuiging gehandeld." Dit zal mij niet bewegen, zoo ik geene voldoende oplossing van den Minister ontvang, om vóór de begrooting te stemmen. Ik zal mij verplicht rekenen mijne stem daaraan te weigeren, wanneer het mij voorkomt dat de Minister in dwaling volhardt. Ik durf niet medewerken, om aan hetgeen ik voor dwaling zou moeten houden, — nadat ik zóó onderricht zal zijn. als ik het zal kunnen wezen — het beleid van eenen zoo gewichtigen tak van onzen publieken dienst over te laten.

Ik hoop dat de Minister mijn twijfel of den ongunstigen indruk, dien zijn vertoog tot dusverre niet heeft kunnen wegnemen, zal uitwisschen door zijn nader antwoord. Ik herhaal te dien einde, ik wensch te vernemen, waarom het ontwerpen van een stelsel van

Sluiten