Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Stelsel of geen stelsel, dit punt moge voor discussie zeer vatbaar zijn, wij zijn die discussie te boven. En nu vraag ik: op welken grond meent de Minister ons binnen een jaar een aannemelijk stelsel te zullen kunnen voordragen? De Minister heeft ons niets gezegd van hetgeen voorbereid is om tot de vestiging van een stelsel te komen. Wanneer ik zeg: niets, dan maak ik tegelijk ééne uitzondering. In zijne rede van voorleden Vrijdag zeide de Minister: „ik heb twee schepen laten bouwen, ik weet nog niet hoe die schepen zullen voldoen; eerstdaags zal ik bericht daarover ontvangen en dit zal mij verder helpen." Die twee schepen zijn in anderhalf jaar gebouwd en te water gelaten. Dus omstreeks op de helft van de ministerieele loopbaan van den Minister is men begonnen eene proef te nemen. Kan die ééne proef het plan, dat de Minister belooft binnen een jaar aan onze beoordeeling te zullen onderwerpen, genoegzaam voorbereiden? Mag men niet verwachten hetgeen ik ook bij den Minister onderstel en waarover hij ons nadere mededeelingen zal gelieven te doen — dat men alom be • richten ingewonnen, dat men onderzoekingen gedaan, dat men de proefnemingen, zonder nuttelooze kosten te maken, zooveel mogelijk vermenigvuldigd hebbe ?

Is het voorts bij het vaststellen van een algemeen plan van organisatie in de eerste plaats de vraag: hoe de schepen zullen worden geconstrueerd? Mij dunkt neen. Zij die hier vroeger of later over de noodzakelijkheid om een systeem aan te nemen, gesproken hebben, wat wenschten zij? Zij wenschten vooreerst eene bepaling van de grootte der vloot in het algemeen. Moet zij uit 20. 30. 10 of 50 schepen bestaan? Welk moet het charter der onderscheidene schepen, en welke de getal verdeeling naar het charter wezen? Zoo ik nu aanneem, dat de Minister het met zich zeiven nog niet eens is omtrent de juiste bepaling dezer twee punten, de Minister, die ons binnen een jaar een stelsel heeft beloofd, heeft zich toch zonder twijfel reeds een maximum en minimum voorgesteld der onderscheidene soorten van vaartuigen welke onze vloot op den normalen voet moeten samenstellen. Hoeveel schepen behooren voorts in den gewonen toestand in Europa beschikbaar te blijven, hoeveel, en van welke afmetingen, worden er in Oost-Indië en in de West gevorderd? Alle vragen, waarvan de beantwoording niet afhankelijk schijnt van die. welke bouworde men voor de onderscheidene charters te kiezen hebbe, vragen, waarop een antwoord mogelijk schijnt, al is men nog niet gekomen tot een volledig besluit of gereed tot de uitvoering.

Mijnheer de Voorzitter, ik moet zeggen, dat de memorie van den Minister, die ik met de uiterste belangstelling gelezen heb. op mij den indruk heeft gemaakt, dien ik andermaal wensch door den Minister te zien wegnemen, alsof hij bij het aanvaarden zijner

Sluiten