Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

andere hoofdstukken der begrooting. overschrijving met voordacht uitgesloten. Wellicht ontvang ik daarop voldoend antwoord, anders zal ik genegen zijn het amendement van den afgevaardigde uit Hoorn te ondersteunen.

De reden dat niet voor het materieel kon worden overgeschreven, helderde thans de minister op, lag daarin, dat de uitgaven daarvoor alle zeer nauwkeurig waren berekend. De minister verklaarde zich evenwel bereid, artikel 18 (uitgaven voor het korps mariniers) in het artikel II te vermelden.

Ik heb niet gesproken, Mijnheer de Voorzitter, van art. 18; maar ik heb gewenscht de reden te hooren, waarom art. 15 „traktementen van zee-officieren en adelborsten", en art. 16: „traktementen van inspecteurs, officieren van administratie, adjunct-administrateuren en scheepsklerken", in art. 2 waren opgenomen.

De artikelen 15 en lt> waren opgenomen, omdat de daarin genoemde korpsen niet voltallig waren. Men zou ze dan kunnen completeeren.

Dan vraag ik, Mijnheer de Voorzitter, of dat niet onregelmatig isV Ik heb dat antwoord ten aanzien van art. 15 althans gewacht, ten gevolge van de opmerking in den Toelichtenden Staat bij dit artikel. Ik lees daar: „Vermits bij deze reorganisatie — het Koninklijk besluit van den 21sten Juli 1854, no. 79 — vermits bij deze reorganisatie tevens is bepaald, dat de uitbreiding van het korps binnen den tijd van vijf jaren moet tot stand komen, heeft men van het totale bedrag der vaste traktementen eene som afgetrokken. in verband staande tot het getal officieren, hetwelk in 1855 vermoedelijk zal ontbreken."

Wat heeft men nu gedaan'? Van het geheele bedrag f 441,800 heeft men afgetrokken „wegens incompletie bij raming berekend, f 53,750", en zoo is men gekomen tot het verminderde cijfer, dat in het ontwerp van wet is uitgetrokken: f 388,050. Dat komt mij, zonder nadere onderrichting, voor, niet regelmatig te zijn. Ik zou het regelmatig gevonden hebben, wanneer men in het ontwerp f 441,800 had gesteld, en dan had overgehouden hetgeen men niet uitgaf; maar nu voor incompletie bij raming eerst eene zekere som af te trekken, en dan die verminderde som als uitgave in de begrooting te brengen, dit schijnt mij vreemd, behoudens de inlichtingen, die ik. hetzij van den Minister, hetzij van de leden, mocht ontvangen.

Dezelfde aanmerking, meende de heer Storm van 's Gravesande, had men tegen de begrootingen van oorlog en marine onder het vorig kabinet kunnen maken.

/

Sluiten