Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat er geen genoegzame reden bestaat om op liet besluit van gisteren terug te komen.

13 December. Hoofdstuk IX A der Staatsbegrooting (Financiën). Artikel 23. Traktementen, toelagen, veranderlijke belooningen, schadeloosstellingen. vergoedingen en bureaukosten, f 2,883,000. Er was een sterke strooming voor de afschaffing van de rijksadvokaten. De heer van Hoëvell wenschte daartoe niet op staanden voet over te gaan. doch een half,jaar tijd te geven tot nader onderzoek. Hij had daarom bij amendement voorgesteld, de som, voor de rijksadvokaten uitgetrokken, met de helft te verminderen.

Het geachte lid uit Alkmaar (de heer Rochussen) heeft zooeven een zacht verwijt gericht aan degenen, die tegen art. 11 hadden gestemd. De afgevaardigde uit Alkmaar, schoon vereenvoudiging wenschende, heeft niet afgestemd, „want, zegt hij, ik wilde niet eene gewichtige administratie doen stilstaan." Mijnheer de Voorzitter, ik heb tegen dat artikel gestemd, en ben echter evenmin, als die geachte afgevaardigde, genegen om eene gewichtige, en zelfs niet eene zoodanige administratie, die, mijns inziens, zou kunnen vervallen, plotseling, zonder tijd van overgang te vernietigen. Ik zou op art. 11 liever een amendement tot vermindering van het cijfer hebben gezien. De aanneming daarvan zou de meening der Kamer genoegzaam hebben verklaard: maar zoodanig amendement was niet voorgesteld. Nu heb ik tegen het artikel gestemd, niet om de administratie met éénen slag te doen stilstaan, maar om hetzelfde te zien gebeuren, hetgeen gebeuren zou, wanneer een geheel hoofdstuk der begrooting was afgestemd. Men stemt een hoofdstuk niet af om het departement te doen stilstaan, maar om aan de Regeering gelegenheid te geven tot indiening van een veranderd ontwerp. Op gelijke wijze, wanneer men tegen eenig artikel stemt, bedoelt men juist niet dadelijke, geheele opheffing van al hetgeen met de voorgestelde uitgaaf samenhangt; het is een verzoek aan de Regeering om eene wijziging der begrooting aan de Kamer voor te leggen op een punt, dat wij door een amendement wellicht niet kunnen bereiken.

De afschaffing der rijks-advokatie, meende de heer Rochussen. kon niet binnen een half jaar plaats hebben. Daaraan moest eene zeer moeilijke herziening van de algemeene wet van 1822 vooraf gaan.

De heuschheid, welke de geachte afgevaardigde uit Alkmaar (de heer Rochussen) in acht neemt bij de beraadslaging, maakt de discussie met hem aangenaam, en zoo vinde ik mij opgewekt het beweren van dien geachten afgevaardigde tegen te spreken, dat een besluit tot afschaffing van de rijks-advokatie zou moeten worden voorafgegaan door eene „omslachtige herziening van de wet van 1822."

Sluiten