Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft zich te dien aanzien met uitnemende voorzichtigheid geuit. Wanneer de omstandigheden, heeft hij gezegd, aan het eind van 1855 dezelfde zijn, is geene verandering der begrooting voor 185(5 te wachten. Hij heeft zich wel gehoed ons te zeggen: wanneer de omstandigheden aan het eind van 1855 niet dezelfde zijn. dan is eene verandering wel te wachten. Ik misprijs dit in het stelsel van den Minister niet: hij heeft in die woorden het karakter vastgehouden, dat hij op zijne begrooting wenscht te drukken

Geen lid", heeft de Minister er bijgevoegd, „is verplicht, omdat hij thans twaalf millioen inwilligt, dit ook te doen voor 1856." Dit is in het algemeen juist: maar ik vraag toch of, wanneer hier eene begrooting van twaalf millioen wordt ingewilligd op de gronden, waarop de Minister van Oorlog die wenscht te zien toestaan, het dan denkbaar is dat men voor 1856 dat cijfer weigere en willekeurig verklare: wij willen, wij kunnen dat bedrag niet meer geven. Men kan zich zeer verrassende gebeurtenissen, bijv. een plotseling verval van alle bronnen onzer welvaart voorstellen. Maar dergelijke, nauwelijks denkbare, gevallen uitgezonderd, is het niet te verwachten, dat hij die eene begrooting op grond van vaste blijvende behoefte, voor een dergelijken tak van dienst heeft toegestaan, in het volgend jaar terugtrede.

Welke is de aanleiding geweest tot de verhoogde aanvraag waarmede wij thans te doen hebben? De aanleiding was de verhooging, die in de voorleden maand Maart is voorgesteld en toegestaan. Bij de behandeling van dat voorstel was er twijfel, onzekerheid, over de gronden, waarop het was gedaan: waren het de buitengewone omstandigheden van ons werelddeel, de oorlog in het Oosten; of was het, daarvan onafhankelijk, de noodzaak om de inrichting van ons leger te verbeteren ? In den loop der discussie, hoezeer men wenschte die schemering door een helder licht te zien vervangen, werd die twijfel niet opgelost. Toen is er eene poging gedaan, waarmede de Minister zich heeft vereenigd, om alle onzekerheid voor goed weg te nemen door de wet zelve. Dit geschiedde; de wet zelve grondde de verhooging eeniglijk op buitengewone omstandigheden. De Minister, dat amendement overnemende, heeft daarbij wel gezegd, dat hij dat deed onder voorwaarde, dat hij de volgens zijne inzichten noodige verbeteringen in den toestand vrn het leger zou kunnen brengen. Doch die verklaring, welke men als een blijk van de zorge des Ministers voor eene betere inrichting van ons leger met erkentelijkheid moest aannemen, kon aan hetgeen de wet had gezegd hoegenaamd niets veranderen. De wet had zeer stellig en uitsluitend het karakter gekregen van eene buitengewone bijdrage uit hoofde van buitengewone omstandigheden.

Die wet is de brug geworden voor het nu aanhangige ontwerp van begrooting, en hier bestaat nu geenerlei twijfel hoegenaamd.

Sluiten