Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Welke zijn daarvan de oorzaken':' Vooreerst, geloof ik, vindt men een groot onderscheid van vruchtbaarheid tusschen andere uitgaven en die voor Oorlog. De spreker uit Leiden (de heer Gevers van Endegeest) zegt wel: „bestaan of niet bestaan, dat is de vraag bij leger en vloot." Maar wat zegt de vredelievende burger van dit kleine nijvere land? Moeten wij, gedurende 25 jaren, elk jaar tien millioen opbrengen, om een waarborg te bezitten, dien wij dan wellicht zullen behoeven? En welken waarborg nog? Welke zekerheid wordt bereikt met de oprichting eener defensiemacht, waarvoor men zulke offers brengt? Kan zij onze onafhankelijkheid, bij het meer en meer toenemend, ontzaggelijk overwicht der groote mogendheden. verzekeren ?

Daarbij komt de rekbaarheid van het cijfer. Wanneer de expert eeu bepaald plan voorop zet, zal hij, en terecht, kunnen zeggen: dat plan is niet, dan met die kosten, te verwezenlijken. Het cijfer hangt dan van het gemaakte bestek af. Maar wat antwoordt de gewone burger? Er is niet een eenig, absoluut, uitsluitend toepasselijk plan: er zijn onderscheidene plannen van inrichting van het defensiewezen mogelijk: welnu, richt uwe keuze zoo in, dat het plan zich naar de middelen schikke en niet de middelen onvoorwaardelijk naar het plan moeten worden geregeld.

Vandaar de meening — en ik geloof die meening heeft hier te lande nogal vaste wortelen geschoten — bij oorlog geene inspanning te ontzien, maar in vrede zoo min mogelijk voor oorlog ten koste te leggen. Want, zegt men, hetgeen in vrede aan oorlog ten koste wordt gelegd, wordt aan het nationaal kapitaal, of aan de vervulling van andere staatsbehoeften onttrokken.

Ik voeg hier. Mijnheer de Voorzitter, eene opmerking bij. die juist niet de massa van de burgerij, maar die sommigen gelegenheid hebben, in omstandigheden, als die wij nu beleven, te maken. In zulke omstandigheden sporen groote mogendheden kleine Staten gaarne aan om zich te wapenen. Wellicht doen zij dit niet door rechtstreeksche onderhandeling, wellicht vergenoegen zij zich met de indirekte middelen, waartoe de diplomatie in staat stelt. Zij doen dit soms in oorlog van beide kanten, zonder dat er nog juist eenig opzet behoeft te bestaan om de neutraliteit niet te eerbiedigen. Zij brengen door die aansporing, zoo zij slagen, te weeg, dat de kleine mogendheden, zich wapenende, zich voorbereidende, begeerlijke bondgenooten worden.

Ten slotte, Mijnheer de Voorzitter, kan ik mij niet onthouden van de opmerking dat wij nu weder in de gelegenheid zijn gesteld de toóverkracht van het woord: buitengewone omstandigheden te ontwaren. Eene tooverkracht, die ons reeds meermalen duur genoeg, dacht ik. te staan was gekomen.

Op het voorbeeld van den geachten spreker uit Nijmegen (den

Sluiten