Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Kappard), heeft aanleiding gegeven tot een zeer opmerkelijk arrest van den Hoogen Raad. Zoo ik den geachten spreker wèl heb verstaan, dan bedoelde hij het geval van een ambtenaar die door den Hoogen Haad geacht werd den wil niet te hebben gehad om de daad, waarvoor hij was veroordeeld, te plegen. Dan komt het mij voor dat de Hooge Raad zeer terecht heeft vrijgesproken. Die wil om de daad te plegen is een noodzakelijk element, maar ik wil ook niets meer, ik wil niet dat de rechter geloove dat hier iets meer wordt gevorderd om den Minister te veroordeelen, dan hetgeen gevorderd wordt om ieder ander ambtenaar aan ambtsmisdrijf of den gewonen burger aan een gewoon misdrijf schuldig te verklaren. Ik wil niet dat hier eene uitzondering gelde, waar wij reeds uitzonderingen genoeg hebben. Ik laak de billijke voorrechten, welke de Minister ten aanzien van de vervolging en van de berechting krachtens de Grondwet heeft, niet. Maar ik wil niet méér. Ik voor mij heb de overtuiging, dat niet licht een geding zal komen bij den Hoogen Raad, hetgeen niet, zooals de Grondwet wil, behoorlijk bij de Tweede Kamer zal zijn behandeld. Men miskenne ook het voordeel niet. dat de Minister heeft, uitsluitend voor het hoogste rechterlijk college terecht te staan.

De spreker uit de hoofdstad is het met mij eens, dat het in het algemeen niet noodig is dat de wet den wil om te overtreden uitdrukkelijk eische; en wanneer nu de gewone strafwet dat niet noodig heeft geoordeeld, welke bijzondere redenen zijn er dan om het in dit geval en bij deze wet uit te drukken? Daarvoor vindt de spreker twee redenen. De eerste komt hem zeiven zwak voor, maar aan de tweede hecht hij zeer veel. De eerste is: deze wet is eene exceptioneele wet; — zijn nu ten aanzien van eene exceptioneele wet de algemeene regelen van het strafrecht toepasselijk ? Daarover is wel eens twijfel gerezen, en van wege dien twijfel, zou de spreker wenschen dat hier het vereischte van opzet wierd uitgedrukt. Zou een twijfel wel genoegzaam zijn om iets meer te doen dan noodig is; om iets te doen dat zoo licht tot misverstand kan aanleiding geven ? Maar zoo er dan al twijfelachtigheid mocht kunnen worden beweerd, wat is gemakkelijker dan hetgeen reeds bij deze wet in zekeren opzichte, in art. 35, gedaan is, in ruimeren omvang te doen, en te zeggen dat de algemeene beginselen van het strafrecht blijven gelden? Hoewel dit, zoolang deze wet niet zal afwijken van de eerste beginselen van het strafrecht — zonder welke geen rechtvaardig of menschelijk strafrecht te denken is — ook zonder zoodanige bepaling, dunkt mij. duidelijk genoeg zal zijn.

De tweede reden — waaraan de spreker zeer veel hecht — bestaat hierin, dat bij de Memorie van Toelichting tot het ontwerp van 1852 eene uitdrukking gebezigd is die zou kunnen doen denken, dat het toenmalige Ministerie de crimineele intentie, gelijk men het

Sluiten