Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

corporatie:n, als in onze wetgeving niet bekend of ongewoon. Zoo de Minister had geschreven vereenigingen, dan ware daarop geene aanmerking gevallen. Zegt men echter „vereenigingen. met bijzondere personen gelijkgesteld." dan wordt slechts eene kleine afdeeling in bescherming genomen, waar de geheele klasse bescherming verdient. Dit kon nu evenzeer geschieden, indien men zeide. zoo als ik meende voor te stellen: „hetzij van het openbaar gezag, hetzij van vereenigingen of van bijzondere personen." maar ik heb geene bedenking tegen de kortere lezing van den Minister.

fo Maart. Artikel 5. Het ontwerp schreef voor: „Geene vereeniging, buiten die door de Grondwet of andere wetten ingesteld, treedt als rechtspersoon op dan na of door eene wet of door Ons of van Onzentwege te zijn erkend.

„Alle voor onbepaalden tijd of voor langer dan dertig jaren aangegane vereenigingen, welke als rechtspersoon willen optreden, behoeven eene erkenning door de wet.

„Dergelijke vereenigingen. voor minder dan dertig jaren aangegaan, kunnen door Ons of van Onzentwege worden erkend."

Mijnheel' de \ oorzitter. ik wensch liet tot stand komen eener wet ter uitvoering van art. 10 van de Grondwet zooveel in mijn vermogen is te bevorderen. Hetgeen mij niet mogelijk was bij het ontwerp van 1849. geloof ik nu te kunnen doen; evenwel niet zonder verandering van dit ontwerp. Met de verandering, die ik verlang, zal dit ontwerp, meen ik. eene volledige wet, zooals art. 10 van de Grondwet dit vordert, kunnen worden.

Ik plaats twee stellingen, die mij boven twijfel schijnen, voorop.

Vooreerst, art. 10 van de Grondwet bedoelt uitsluitend staatsrechtelijke regeling. Ik zeg geenszins dat art. 10 enkel de politieke vereenigingen betreft: het omvat, en in dit opzicht deel ik in het gevoelen van den Minister van Justitie, alle vereenigingen: maar de regeling, welke dat artikel aan de wet opdraagt, bepaalt zicli tot het publieke recht.

De ware strekking van art. 10 wordt, zoo mij voorkomt, uit de verklaring der Commissie, tot herziening der Grondwet door den Koning benoemd, in haar rapport op dat artikel gekend.

-Het recht van vereeniging, waarvan vergadering een uitvloeisel is. heeft in de hedendaagsche gebeurtenissen en maatschappij, gelijk in de wetgeving elders, een zóó groot gewicht verkregen; gezelligheid is een zóó wezenlijk en vruchtbaar middel van menschelijke krachtsoefening, dat wij oordeelen het onder bescherming der Grondwet te moeten stellen. Wanneer de wet wordt aangewezen als de macht, welke dat recht met de publieke orde in harmonie moet houden, wordt het tevens tegen de willekeur van een naar afwisselende inzichten handelend bestuur beveiligd."

Sluiten