Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de grens tusschen de maatschap van het Burgerlijk Wetboek en de vereenigingen in art. 11 van het ontwerp bedoeld? Maatschap is, volgens het Burgerlijk Wetboek, eene overeenkomst, waarbij twee of meerdere personen zich verbinden om iets in gemeenschap te brengen, met het oogmerk om het daaruit ontstane voordeel met elkander te deelen. Dat doel van gezamenlijk voordeel kan op duizendvoudige wijze worden nagestreefd en zal wellicht bij de meeste vereenigingen worden aangetroffen. Het zal er evenwel op aankomen de ljjn tusschen die en de vereenigingen. welke art. 11 anders behandeld wil hebben, met juistheid te trekken.

De geachte spreker uit de hoofdstad (de heer Godefroi), heeft eene uitdrukking, gisteren door hem gebezigd, verdedigd. Daarover zal ik kort kunnen zijn. Ik wensch met den geachten spreker over de juistheid der woorden, die hij heeft gebruikt, niet te twisten, en ik denk dat hij aan zijne zijde slechts eene enkele herinnering behoeft om zich wat ik gezegd heb voor den geest te brengen. VVat was liet thema, waartegen zijne woorden gericht waren ? Mijn thema was: .De bezwaren," ik geloof het zijn nagenoeg de woorden waarvan ik mij heb bediend, „waartegen artt. 5 tot 14 van dit ontwerp zijn gericht, betreffen het privaatrechtelijk bestaan, de privaatrechtelijke eigenschappen van zedelijke lichamen." Nu zegt de geachte spreker: „In deze artikelen wordt eene erkenning gevorderd van hooger hand en worden de gevolgen der erkenninof niet-erkenning geregeld. Erkenning is eene staatsrechtelijke handeling. De verplichting om die erkenning te vragen is ook eene staatsrechtelijke verplichting." Hetgeen waarop ik doelde is liet onderwerp dier erkenning, de civiele bevoegdheid der vereeniging. Erkenning echter op zichzelve beschouwd, zou de spreker het wenschelijk achten, bijv. artt. 947 en 1717 of andere artikelen van het Burgerlijk Wetboek waar van tusschenkomst van het hoogste gezag in burgerlijke zaken spraak is, in eene politieke wet over te brengen? Ik geloof het nauwelijks, omdat daardoor het geheel, de eenheid der burgerlijke wet zou worden verbroken of althans onduidelijk worden.

De vraag intusschen: „in deze wet of niet in deze wet", is voor mij niet van het hoogste belang. Zoo de regeling volledig en doeltreffend ware, zou ik ze liever hebben in deze wet, dan ze niet hebben.

Een ander punt, door den spreker aangevoerd, treft mijn betoo« van naderbij. „Zoo men, zegt hij. het beginsel wil, erkenning van hooger hand, en men voegt er bij. het beginsel zal niets uitwerken, bestrijdt men het beginsel zelf." Dat heeft, zóó voorgedragen, op zichzelf eenigen schijn. Ik denk evenwel, dat het ook den schijn verliezen zal voor hem, die vergelijkt hetgeen ik de vrijheid nam aan de Vergadering voor te dragen. Ik heb namelijk beweerd, dat

Sluiten