Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Minister van Financiën heeft in zijne eerste rede op het gezegde van den geachte» afgevaardigde uit Amersfoort, op de vraag of men in perpetuum beschikbaar zal stellen, dan of dit jaarlijks moet geschieden, geantwoord, dat die vraag bij de artikelen zal worden behandeld. Zij schijnt mij bij dit artikel inderdaad de ware. juiste vraag te zijn.

Tegen dat in perpetuum beschikbaar stellen heb ik bezwaar. Ik erken, dat het artikel die beschikbaarstelling in perpetuum afhankelijk maakt van den toestand der financiën: maar levert die geene bijzondere reden op om v'an de bestemming af te wijken, die nu aan de vrijvallende renten zal worden gegeven, dan zal deze bepaling werken. Dat, dunkt mij. is de strekking van het artikel, geheel overeenkomstig met den zin van het alternatief, dat de Minister van Financiën zelf stelde.

Tegen dat stelsel nu rijst bij mij bedenking:

In de eerste plaats wanneer ik deze bepaling stel tegenover de jaarlijksche begrooting.

Ik vraag, Mijnheer de Voorzitter, waarom op de jaarlijksche begrooting vooruitgeloopen ? Stel, dit artikel zeide. dat men jaarlijks op de begrooting eene zekere som tot amortisatie van schuld moet brengen. Dan zou het een regel wezen, dien de wetgever aan den wetgever gaf: een regel, die met den aard eener jaarlijksche begrooting niet zou strooken. Of de wetgever zal goedvinden een zeker overschot te bestemmen tot amortisatie van schuld, of de behoeften van den dienst toelaten dat tot dat einde over eene zekere som worde beschikt, dat moet, dunkt mij. ieder jaar opnieuw aan het oordeel van de wetgevende macht onderworpen blijven. Volgens het artikel zou iets anders gebeuren. Volgens het artikel zou aan den Minister van Financiën eene macht worden gegeven nog veel minder- aannemelijk dan zoodanige regel, die bij eene algemeene wet aan den wetgever voor de jaarlijksche begrooting zou worden opgedrongen.

In de tweede plaats beschouw ik deze bepaling met het oog op de schuldeischers van den Staat. Dezen zullen haar aanmerken als eene verplichte amortisatie, waarop, ja, uitzondering zou kunnen worden gemaakt door de wetgeving in buitengewone gevallen, maar waarop zij toch in een gewonen toestand zullen kunnen rekenen. En zonder noodzaak. Mijnheer de Voorzitter, moet de Staat, geloof ik. eene dergelijke verplichting nimmer op zich nemen. Ook in het belang van de schuldeischers zeiven, moet hij zich daarvan onthouden. De schuldeischers zullen er op rekenen. Derhalve, wanneer nu eens de wetgevende macht, hetgeen deze wet als regel aanneemt niet gestand doet, zal dit teleurstelling aan de schuldeischers veroorzaken.

In de derde plaats is in deze bepaling een beginsel betrokken,

Sluiten