Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van — uitgaven, behalve die, welke in art. 205 zelf worden genoemd, op de gemeenten leggen; maar zoo het gebeurt, het gebeure met inachtneming van dat beginsel van gemeentelijke zelfstandigheid. dat het richtsnoer van de gemeentewet, ook in dit opzicht, is geweest. In zoover wensch ik niet, dat „de hand in de gemeentewet worde geslagen"; want het geldt ln'er niet deze of gene wijziging of verandering, die verbetering zou kunnen zijn; het geldt hier inbreuk op een beginsel dat, mijns inziens, een hoofdbeginsel van de wet. een beginsel van onze Grondwet is.

Interpellatie.

Gelijk uit de voorlezing is gebleken, is mijne vraag zeer eenvoudig.

Het is niet onnatuurlijk dat in den tegenwoordigen tijd van onderscheidene kanten bezorgdheid is gerezen over de bestemming welke aan het Limburgsch contingent zou kunnen worden gegeven. Men meent te weten dat het Duitsche Verbond besloten heeft dat contingent te brengen op den voet van oorlog, indien althans dit eene juiste vertaling is van hetgeen in Duitschland genoemd wordt het brengen in staat van Kriegsbereitachaft.

Nu vraag ik : is het te voorzien dat in dezen toestand, onder de heerschappij van dat besluit, hetwelk het brengen in staat van Kriegsbereitschaft beveelt, en vóórdat bij het Duitsche N erbond besloten zij tot mobiliseering, het Limburgsch contingent buiten de grenzen van het Kijk worde verplaatst?

23 Mei. Regeling van werkzaamheden. Voorstel van den heer Meelissen, na afloop der beraadslagingen over het ontwerp betrekkelijk voorziening in sommige waterstaatsbelangen, het ontwerp van wet tot afschaffing van den accijns op het gemaal in behandeling te nemen. De minister van marine had verzocht, eerst de definitieve begrooting voor zijn departement te willen afdoen. Het voorloopig verslag over dat ontwerp was nog niet verschenen.

L)e Minister van Marine heeft een wensch te kennen gegeven, en die wensch is door eenige leden ondersteund. De vraag is: zal de begrooting van Marine den voorrang hebben, of het ontwerp tot afschaffing van den accijns op het gemaal?

Mij komt het voor, Mijnheer de Voorzitter, dat de Kamer in de eerste plaats over die vraag zou kunnen beslissen, indien öf de Voorzitter goed vond den wensch van den Minister als voorstel te formuleeren, of dit gedaan wierd door een der geachte leden die in den wensch van den Minister deelen. Zoo de Kamer beslist, dat over de begrooting in de eerste plaats zal worden geraadpleegd,

Sluiten