Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Derhalve geene scheiding: ik verlang dat noodzakelijkheid en verplichting onder ééne vraag en onder ééne beslissing vervat blijven. Het kan, mijns inziens, niet anders zijn; niet enkel omdat het toezicht veel meer dan eene louter technische beschouwing of discussie vordert; maar omdat hier alles op eene relatieve noodzakelijkheid aankomt.

Bij de scheiding, die het ontwerp aanneemt, zal de uitspraak van Gedeputeerde Staten den Staat verbinden om het noodzakelijke werk te maken. Men heeft wel gezegd dat de tusschenkomst van den rechter preventief zal werken, want dat Gedeputeerde Staten nu des te voorzichtiger zullen zijn in hunne uitspraak, maar ik zie dat hoegenaamd niet in. De Gedeputeerde Staten hebben niet de minste reden om zeer omzichtig te zijn, want het ergste gevolg, dat hunne uitspraak kan hebben, is dat, bij ongehoudenheid van het waterschapsbestuur, het Rijk verplicht worde om het werk te doen uitvoeren; een gevolg, in mijn oog zeer verkeerd en bezwarend, maar dat Gedeputeerde Staten niet zal weerhouden. De Minister van Binnenlandsche Zaken — het is mij zoo voorgekomen, want duidelijk is mij zijne tegenspraak niet geworden — heeft dat willen bestrijden door de aanhaling van art. 11. Dat artikel zegt: „Indien, hangende het rechtsgeding, door Ons, na Gedeputeerde Staten gehoord te hebben, wordt beslist, dat de uitvoering der werken geen uitstel kan lijden, geschiedt zij van rijkswege." Blijkbaar ziet die alinea op dat bijzonder geval, wanneer de werken geen uitstel kunnen lijden, maar hoe is het in gewone gevallen ? Stel, het waterschapsbestuur komt van de uitspraak van Gedeputeerde Staten, voor zooveel die uitspraak het werk noodzakelijk heeft verklaard, niet in appèl bij den Koning. Dan is dat besluit niet eens onder de oogen van het Gouvernement geweest. Maar het waterschapsbestuur, de noodzakelijkheid niet betwistende, doet .de vordering tot ongehoudenheid" bij den rechter. Deze wijst die toe. Wat nu ? Het staat wel niet uitdrukkelijk in de wet, maar volgt, dunkt mij, blijkbaar uit de Memoriën van Toelichting en Beantwoording, en uit de gansche verdediging, dat de Staat zoowel de kosten van het werk, als die van het geding, zal dragen, alleen omdat Gedeputeerde Staten het werk voor noodzakelijk hebben verklaard. De Memorie van Beantwoording zegt uitdrukkelijk, dat de provincie niet met de kosten kan worden bezwaard ; ze moeten dus komen ten laste van den Staat. Het proces voor den rechter zal dus in het wezen een proces tusschen het waterschapsbestuur en de schatkist zijn.

Ten andere wordt de overeenkomst van het ontwerp met zichzelf, gelijk met de Grondwet, verbroken door het verzet bij den burgerlijken rechter.

Zoodanig verzet, Mijnheer de Voorzitter, kon aangaan in het

Sluiten