Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Voorzitter, door hetgeen ik de eer had zooeven aan de Vergadering voor te dragen, gelijk door onze gedrukte stukken, genoegzaam wederlegd.

Nog een enkel woord, dat mij minder aangenaam is, met betrekking tot de rede van den Minister van Buitenlandsche Zaken, die wij gisteren gehoord hebben.

De Minister van Buitenlandsche Zaken weet, Mijnheer de Voorzitter, dat ik het versmade, wapenen te gebruiken gelijk aan die, welke hij in den strijd met zijne wederpartij niet ontziet.

Wij hebben hem opnieuw zich uitnemend veel moeite zien geven om het verband van dit voorstel, hetwelk een op zich zelf staand voorstel — dus zonder samenhang met eenig stelsel — moet zijn, te verklaren met de geheele richting van eene dertienjarige ministerieele loopbaan. Ik zal daarover niets zeggen na hetgeen de Minister had kunnen hooren, zoo hij tegenwoordig ware geweest, dezen morgen van een, — gisteren, aan het slot van de zitting, van een anderen spreker uit Almelo.

Ten slotte, Mijnheer de Voorzitter, moet ik den Minister beklagen, die zijn oor en zijn geest openzet om ellendige, leugenachtige klap zal ik het commérage noemen — op te vangen, ten einde die hier ter plaatse, als persoonlijke insinuatie te bezigen, insinuatie, Mijnheer de Voorzitter, die — de Minister weet het — in den omgang van het bijzonder leven, in het verkeer van het eene individu met het andere, door een blijk van verachting zou worden beantwoord!

14 Juni. Artikel 2. „Voor zooverre de overige middelen niet voldoende mochten zijn om te vervangen hetgeen 's Rijks schatkist bij de afschaffing van den accijns op het gemaal zal derven, wordt daarin voorzien door middel van verhooging der opcenten op de hoofdsom van de grondbelasting, het personeel en de patenten, op de hoofdsom van den rijks-accijns en het collectief zege], op het binnen- en buitenlandsch gedistilleerd, den wijn en het geslacht, op de hoofdsom der zegel-, registratie-, griffie-, hypotheek- en successierechten, gelijk mede op de hoofdsom van het recht van waarborg op de gouden en zilveren werken."

Ik kan. Mijnheer de Voorzitter, in de bedenkingen van den laasten spreker ten aanzien van dit artikel niet instemmen. Het artikel, zoo komt het mij. gelijk den spreker uit Rotterdam (den heer van Bosse) voor, is een vooi'schrift aan de Regeering, hoe zij bij de aanstaande begrooting zal moeten handelen ter voorziening in het tekort, zoo er dan blijkt een tekort te zijn. Zoodanig voorschrift schijnt mij goed; het schijnt mij beter nu den weg over het algemeen af te bakenen, dan die zaak te eenen male onzeker te laten. Wanneer de wetgevende macht nu dergelijk voorschrift aan den Minister geeft, dan kan, ja, bij de behandeling

Sluiten