Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Regeering zegt op bladz. 12 van de Memorie van Beantwoording : „Alsdan blijven van de accijnsen dus alleen die op den wijn en het geslacht over, waarop men gelijke opeenten als de direkte en indirekte belastingen wenscht voor te dragen, want alhoewel het geslacht onder de eerste levensbehoeften moet gerekend worden, zoo leert toch de ondervinding dat het rund- en kalfsvleesch geenszins meer tot de voedingsmiddelen van die klassen van ingezetenen, die men in de eerste plaats wenscht te ontlasten, kan gerekend worden."

Treurige waarheid! De Regeering erkent intusschen — en ik verblijde mij daarover, ik zie daarin eene vordering — dat het vleesch tot de eerste levensbehoeften behoort. Bij de opnoeming der middelen, waarop de opcenten zullen kunnen verhoogd worden, laat de Regeering het zout, de zeep, de bieren, de azijnen en de brandstoffen weg, en mij dunkt, zeer te recht; maar om dezelfde reden, krachtens hetzelfde beginsel, moet ook alle verhooging van het geslacht worden geweerd. De Regeering zegt: „de ondervinding leert, dat het rund- en kalfsvleesch geenszins meer tot de voedingsmiddelen van die klassen van ingezetenen, die men in de eerste plaats wenscht te ontlasten, kan gerekend worden.'' Moet men dan, wanneer dat waar is, die eerste levensbehoeften nog verder buiten het bereik van die klassen plaatsen ? Welke klassen wenscht de Regeering te ontlasten ? Toch niet die der bedeelden. Het inoet de klasse zijn van hen, die door arbeid in hun onderhoud voorzien. Onder diegenen zijn er velen, die zich soms het gebruik van vleesch kunnen veroorloven. Meermalen is er in deze discussie op gewezen, ook door de Regeering zelve, dat inzonderheid het doel moet zijn dien uitersten zoom van den middenstand, die het naast aan de behoeftigen, aan de armoede grenst, te ontheffen. Men zorge dan althans, dat, wat betreft de eerste levensbehoeften, die klasse niet zwaarder worde belast in een tijd, waarin alle regeeringen zich beijveren om de algemeene voedingsmiddelen van lasten geheel vrij te stellen. Hoe men ook over de meerdere of mindere werking van een hooger cijfer van opcenten op het geslacht denke, eenige werking zal die verhooging altoos hebben, en die werking moet worden uitgesloten in hetzelfde belang, dat men bij deze wet wil beschermen. Men zal van regeeringswege geen maatregel kunnen nemen, vooral geen maatregel van dwang, om het misbruik tegen te gaan, waarop in de laatste dagen meermalen is gedrukt, dat van sterkedrank, zóó doeltreffend als de bevordering eener krachtige voeding.

De vermindering van het geldcijfer, ten gevolge van het wegvallen van het geslacht, kan, geloof ik, geen bezwaar opleveren. Tegenwoordig bestaan er reeds 38 opcenten op het geslacht, die bij de aanstaande begrooting wellicht zouden worden gebracht tot

Sluiten