Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderwerpen: maar mij vergenoegen met de bewering, die, dunkt mij, geen tegenspraak kan ontmoeten, dat, hoe men ook art. 14 van bet traktaat van 1840 uitlegge, dat artikel ons nooit kan verbinden de overeenkomst, die ons thans is voorgelegd, aan te nemen. Die kracbt zal niemand, ook niet de Minister, daaruit willen putten, daar niemand zal kunnen beweren dat deze overeenkomst de eenig mogelijke uitvoering van art. 14 van het traktaat van 1840 zou zijn.

Dat art. 14. Mijnheer de Voorzitter, is mij steeds voorgekomen te zijn een fragment, een fragment van een geheel, waarvan de andere stukken ontbreken. Ik heb steeds gedacht — het is niet nu voor het eerst dat ik dat traktaat moest beschouwen — ik heb gedacht, dat men, na vaststelling der overige bepalingen, die omtrent de proprie'té littéraire op verlangen van Frankrijk zijn ingela.scht, dat men toen wellicht van onze zijde voorwaarden in ons belang daartegenover heeft geplaatst, doch dat deze, om de eene of andere reden, achterwege zijn gebleven. De geachte spreker uit Alkmaar (de heer Rochussen) die gisteren het woord voerde, heeft mij in die opvatting bevestigd. Met hoeveel bescheidenheid hij over de geschiedenis van dat traktaat sprak, zijne mededeelingen hebben den indruk, dien ik van het traktaat van 1840 had. gerechtvaardigd.

In die onderstelling staat art. 14 in het traktaat van 1840 als eene geisoleerde verklaring, als een eenzijdig gunstbetoon. Daaruit volgt niet, dat ik aan de kracht van dat artikel te kort zou willen doen; maar daaruit volgt dat ik niet kan aannemen, hetgeen de Minister heeft gezegd, dat er tegenover die verbintenis, die wij volgens art. 14 aanvaardden, voordeelen staan, in de voorgaande artikelen verleend. Ik geloof niet dat men die voorgaande bepalingen met art. 14 in eenig verband mag brengen.

Een laatste punt, Mijnheer de Voorzitter, waaromtrent de Minister mij niet wel begrepen of niet wel verstaan heeft. Ik heb gisteren niet gezegd, dat volgens dit traktaat de Fransche schrijver bij ons meer recht, dan de inheemsche, zal hebben. Ik heb beweerd, dat er geene gronden zijn om den Franschen schrijver door onze wet een uitsluitend recht te verzekeren, van gelijken omvang als hetgeen die wet aan onze schrijvers om bijzondere redenen toestaat. Gelijkheid wordt hier ongelijkheid.

28 Juni. Ontwerp van wet tot afschaffing van het tonnegeld. Algemeene beraadslaging.

Ik heb, Mijnheer de Voorzitter, de stukkeu betrekkelijk dit voorstel van wet nu nog eens gelezen, en mij verheugd over den afstand, over den afgelegden weg tusschen nu en de maanden October en November, toen dit ontwerp ons werd voorgesteld en

Sluiten