Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mijn voornemen aan, met bijvoeging dat ik gaarne door het Gouvernement zal worden voorgekomen. Zoo evenwel bij de Regeering redenen mochten bestaan om dergelijk ontwerp niet spoedig voor te dragen, zal ik mij verplicht achten, te doen wat van mijne zijde zal kunnen geschieden om het hoog belang eener voorziening te bevorderen.

Het verheugde den heer Mackay zeer, dat de heer Th. de landverhuizing had aangeroerd bij een ontwerp, dat de minister van financiën verdedigde. Daardoor scheen, in tegenstelling met hetgeen vroeger bij het ontwerp van 1853, waarvan de toelichting alleen door den minister van binnenlandsche zaken was onderteekend, geschiedde, dan nu toch te worden erkend, dat ook andere ministers daarbij waren betrokken.

Twee opmerkingen.

De eerste betreft een woord van den geachten afgevaardigde uit Assen. De heer van Heiden Reinestein heeft gezegd: „In abstracto is de afschaffing van het tonnegeld wenschelijk; in abstracto is de afschaffing van alles, van alle belastingen wenschelijk". Dit laatste geef ik niet toe. Mijnheer de Voorzitter. Ik zou de afschaffing van alle belastingen niet wenschelijk achten, want daardoor zou het verband verbroken worden van het vermogen der individuen met de behoeften van het Land; daardoor zou te kort gedaan worden aan den plicht, die van wege hun vermogen op hen rust om tot de lasten van den Staat bij te dragen. Doch hetgeen niet alleen in abstracto, maar, zoo mij voorkomt, ook in concreto, in allen deele en in allen opzichte wenschelijk en noodig is, is. dat zoodanige belastingen worden afgeschaft die de voortbrenging krenken en waardoor dus èn voor de individus èn voor den Staat de bron wordt verzwakt waaruit de inkomsten vloeien.

Ten andere, het onderwerp 't geen ik in het tweede deel mijner vorige rede heb aangeroerd. Het was voor mij eene groote voldoening te ontwaren, dat het inzicht in de noodzakelijkheid om van staatswege ten aanzien van de zaak der landverhuizers maatregelen te nemen, zooveel helderder en algemeener geworden is dan voor eenige jaren. Daaraan, dat toen die overtuiging nog niet zeer levendig was, heb ik ook de bedenking gemeend te moeten toeschrijven, die nu herhaald is door den geachten afgevaardigde uit Arnhem (den heer Mackay). Het ontwerp, in 1852 of 1853 ingediend, „was enkel onderteekend door den Minister van Binnenlandsche Zaken". Het scheen eene kleine bedenking tegen eene groote zaak. Zij geeft mij aanleiding om te herinneren, dat, zoo mijn geheugen mij getrouw is, over dat eenvoudig ontwerp, waarvan het beginsel was het Gouvernement tot het nemen der noodige maatregelen te doen machtigen, gedurende anderhalfjaar tusschen de Ministeriën van Buitenlandsche Zaken, Justitie, Finantiën en Binnenlandsche Zaken

Sluiten