Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Binnenlandsche Zaken grooter dan in andere hoofdstukken. Maar, Mijnheer de Voorzitter, mag men de Commissie niet verzoeken te willen letten op het getal artikelen van de onderscheidene hoofdstukken ? Het hoofdstuk Binnenlandsche Zaken bevatte in 1852 1*77 artikelen. De geachte spreker vergelijkt Binnenlandsche Zaken met Oorlog; Oorlog had 46 artikelen; het hoofdstuk IX B 62; Justitie, dat reeds om andere redenen in geene vergelijking kan worden gebracht, 42. En het komt niet alleen op het getal der artikelen, maar ook op tweeërlei andere omstandigheden aan: vooreerst op de ongelijksoortigheid der posten van Binnenlandsche Zaken, die grooter is dan bij eenig Departement, en vervolgens op het getal der artikelen, waarop overschrijving door den wetgever is toegelaten. Wanneer de geachte spreker een en ander wel wil overwegen, zal hij, geloof ik, niet meenen dat bij Binnenlandsche Zaken meer overschrijvingen dan bij andere hoofdstukken hebben plaats gehad.

Het is soms een lastig werk, Mijnheer de Voorzitter, een verslag uit te brengen, vooral over eene Staatsrekening. En ik geloof ook dat wij de Commissie dank mogen weten, dat zij het niet ontzien heeft zooveel cijfers bijeen te stellen, en in haar verslag te recapituleeren. Maar bij dergelijk overzicht komt dan ook op nauwkeurigheid alles aan. Gelijk ik de eer had te zeggen bij eene vorige gelegenheid, het is mij in meer dan een opzicht voorgekomen, dat de Commissie bij het samenvatten der cijfers wat vluchtig is te werk gegaan. Ik vergenoeg mij thans met één voorbeeld. Op bladz. 9 lezen wij. dat Jen ge vol je van minder uitbetaalde reis- en verblijfkosten van leden van de Provinciale Staten, f 20,644.96 minder uitgegeven werd voor kosten van bestuur der provinciën". Wie zal, deze woorden lezende, niet gelooven, dat die mindere uitgaaf enkel het gevolg is geweest van omstandigheden waarop geen bestuur eenigen invloed kon uitoefenen? Verminderde uitgaven voor reis- en verblijfkosten van leden der Provinciale Staten : de leden zijn niet opgekomen, derhalve heeft men hun geene reis- en verblijfkosten behoeven te betalen. Maar gaat men de rekening zelve na waarover het verslag is uitgebracht, dan vindt men dat van die f 20,644 de grootste helft minder is uitgegeven, omdat er bespaard is op de jaarwedden, op onderhoud van lokalen en meubelen, op bureau-behoeften, op reiskosten van den commissaris des Konings, van den griffier, van de ambtenaren ter griffie en van Gedeputeerde Staten. Ik zeg, die bezuinigingen maken te zamen de grootste helft der f 20,644 uit; en dat op deze uitkomst het beleid, hetzij van het algemeen, hetzij van het provinciaal bestuur, heeft kunnen werken, zal, geloof ik, niemand betwisten.

17 November. Hoofdstuk V dek staatsbegrooting voor het dienstjaar 1856. Algemeene beraadslaging.

Sluiten