is toegevoegd aan je favorieten.

De onuitgegeven parlementaire redevoeringen van Mr. J. R. Thorbecke

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maken van schulden tot ondernemingen, waarvoor de begrooting te kort schiet, niet wel een term van vergelijking uitmaken.

Ten slotte, Mijnheer de Voorzitter, verklaar ik mij er met ernst tegen - en ik meen dit steeds te hebben gedaan — dat men bij het beoordeelen van voorgestelde uitgaven enkel lette op hetgeen de toestand van de financiën van den dag gedoogt. Ik kan dat niet voor den eenigen, en zelfs niet voor den hoofdmaatstaf van beoordeeling eener raming houden.

23 November. Algemeene beraadslaging over de zesde afdeeling (Waterstaat en publieke werken).

Ik heb eenige bedenkingen en vragen in 't midden te brengen, die sommige artikelen dezer afdeeling te gelijk betreffen, zoodat ik meen de orde het best in het oog te houden wanneer ik ze nu voordraag.

Ik zal niet zeggen, dat het antwoord van den Minister, bij de algemeene discussiën, op de vragen, die ik toen gedaan heb ten aanzien van eene aanvraag van concessie voor den aanleg van een spoorweg van 's-Gravenhage naar Scheveningen, mij in allen deele heeft bevredigd. Ik heb met genoegen gehoord, dat nog niet was geweigerd, daar er nog geene beslissing was genomen; met minder genoegen, dat de Minister geen nut zag in die onderneming. Het minst voldeed mij de reden welke de Minister gaf. Hij gaf als reden op: „kon die spoorweg worden voortgezet, dan zou het wellicht een nuttig werk zijn" ; maar het plan is immers dien spoorweg vast te maken aan het station van den Hollandschen spoorweg, en daardoor zal hij verbonden zijn met alle plaatsen, waarmede de Hollandsche spoorweg gemeenschap heeft.

Dat ik, Mijnheer de Voorzitter, tot eene zekere hoogte de rede van den eersten spreker, den afgevaardigde uit Groningen (den heer Westerhoff). met voldoening gehoord heb, daaraan zal niemand twijfelen. Ik ben overtuigd, dat maat te houden het middel is om kracht te bewaren. Ik zou evenwel niet gaarne het subsidieeren van werken van algemeen nut en het subsidieeren van diakonieën op ééne lijn willen plaatsen; ik geloof dat men steeds de kracht en den lust om werken van openbaar nut te ondernemen bij partikulieren of hunne vereenigingen moet trachten op te wekken en te onderhouden. Dat kan, met beleid, door het verleenen, maar ook door onthouding van subsidiën geschieden.

De bedenkingen en vragen, die ik den Minister heb voor te leggen en die tegelijk eenige artikelen van dit onderdeel der begrooting betreffen, hebben betrekking tot de Maas en tot de vaarten uit de Maas afgeleid. Het onderwerp kan den Minister niet vreemd zijn. Hij heeft, zoo ik mij niet bedrieg, van een groot aantal belanghebbenden vertoogen over die aangelegenheid ontvangen. De