Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wat zal men dan zeggen van die professoraten, die drie, vier, ja vijf verschillende vakken in ééne hand aan onze hoogescholen hebben vereenigd ? Zoo de professor, die aan de hoogeschool taal en geschiedenis leert, de jongelieden niet behoorlijk kan helpen, die wenschen zich op een der beide vakken meer uitsluitend toe te leggen, hoe zal dan moeten geoordeeld worden over die andere leerstoelen of over de jeugd, die in de wetenschappen, daaraan toevertrouwd, eene meer dan gewone kennis wenscht te verkrijgen?

Eene andere bedenking. Een hoogleeraar, met vurige liefde voor ééne wetenschap bezield, zal verlangen zich te kunnen beperken. Hij verlangt voor die wetenschap, waaraan hij zich heeft gewijd, onverdeeld te leven. Een edel verlangen, maar ik twijfel toch of dit wel door de Regeering mag worden vervuld. De hoogleeraren bij de akademiën zijn niet daar om zich in de eerste plaats of alleen de wetenschap ten doel te stellen; zij behooren reeds meesters der wetenschap te zijn; vóór alles is het onderw ijs hunne roeping. De splitsing dus, die, bij taal en geschiedenis aangenomen, dan bij andere takken van wetenschap evenzeer te pas zou komen, die splitsing zou kunnen leiden tot eene wijze van bekleeding van het hoogleeraarsambt, zeker niet in het belang van het hooger onderwijs. Hier is, geloof ik. toepasselijk hetgeen de spreker uit de residentie (de heer Groen van Prinsterer) uit het rapport van 1849, zoo ik wel heb gehoord, voorlas, dat, namelijk, de hoogescholen hoofdzakelijk bestemd zijn niet tot uitbreiding van de grenzen deiwetenschap — gelijk eene akademie van wetenschappen, eene vereeniging van geleerden, — maar om de jeugd te vormen voor die kringen der maatschappij, waar wetenschap, in de echte beteekenis van het woord, voorwaarde is van plichtsbetrachting.

De heer van Lennep herhaalde zijne verklaring, de splitsing te verlangen opdat den hoogleeraar meer tijd zou overschieten, om zich met de jonge lieden bezig te houden.

De spreker uit Steenwijk (de heer van Lennep) moet, dunkt mij, door hetgeen de Minister plotselijk heeft aangekondigd, uitermate zijn verrast. De spreker hoopte op eene uitvoerige discussie, waarin zijne meening ondersteuning zou vinden bij deze Vergadering, ten einde zij alzoo langzamer hand tot de Regeering mocht doordringen. En nu blijkt het, dat het, wat de Regeering betreft, niet eens noodig ware geweest een enkel woord te zeggen.

Ondertusschen begrijp ik na zijne laatste rede het verband tusschen zijn wensch en zijne gronden nog minder dan voorheen.

Wat toch heeft hij ons gezegd? Volgens zijne eigene woorden .bedoelt hij alleen dat de jongelieden, die in een bepaald vak wenschen vooruit te komen — en dat is hier de taal of de geschiedenis — daartoe de gelegenheid vinden". Ik kom niet terug

Sluiten