Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hebben — tot mijn leedwezen ontbreekt het exemplaar op dit oogenblik in de Kamer — in een van de eerste artikelen van het reglement voor de parochiale kerkbesturen, dat de bisschop verklaart dat iedere parochie is een zedelijk lichaam en derhalve al de bevoegdheid bezit, bij de wet aan de zedelijke lichamen toegekend. In welk verband staat zoodanige bepaling met de wet die het recht van vereeniging en vergadering regelt?

Volgens art. 5 dier wet moet eene vereeniging, om als rechtspersoon te kunnen optreden, — zoo die niet door de Grondwet of andere wetten is ingesteld — hetzij door de wet, hetzij door den Koning zijn erkend. De erkenning geschiedt door goedkeuring deistatuten of reglementen.

Hoe erlangt nu eene nieuwe parochie — eene vraag evenzeer bij de oprichting van Protestantsche kerkgemeenten toepasselijk — hoe erlangt eene nieuwe kerkgemeente de hoedanigheid van rechtspersoon ?

Volgens de wet, zoo het lichaam zijn bestaaii binnen een bepaalden tijd, binnen 30 jaren beperkt, door een afzonderlijk regeeringsbesluit. In de onderstelling echter, dat zoodanige kerkelijke gemeente voor een onbepaalden tijd wordt opgericht, zou de wet haar moeten erkennen, en dus de statuten of reglementen goedkeuren.

Nu vraag ik, hoe komt, in verband met die voorschriften deiwet, eene nieuwe kerkelijke gemeente tot stand? De Minister zal mij verplichten, zoo hij mij hierover inlichting gelieft te geven.

De reglementen, verklaarde de minister, waren aan de goedkeuring van den koning onderworpen, op grond van artikel 1 der wet op de kerkgenootschappen. Letterlijk opgevat was de goedkeuring niet noodig geweest, omdat de goedgekeurde reglementen nergens de medewerking van het staatsgezag vorderden. Doch de goedkeuring was toch wenschelijk geweest, ten einde eiken twijfel over de werking van die reglementen weg te nemen. Bij die reglementen, immers, was een orgaan geschapen, dat de nieuwe kerkbesturen in aanraking zou brengen met de regeering. En voor de regeering, èn voor de burgerlijke autoriteiten behoorde dus vast te staan, in hoever een kerkelijk bestuur een wettig bestaand kerkelijk bestuur was.

Wat het tweede punt betrof verklaarde de minister, in het reglement geene bepaling te kunnen vinden, waaruit zou voortvloeien, dat elke opgerichte parochie als een zedelijk lichaam was te beschouwen. Daarenboven, zei hij, de vraag, in hoeverre een kerkelijk lichaam rechtspersoonlijkheid bezat, hing niet af van de wet tot regeling van het recht van vereeniging en vergadering.

Wat de eerste vraag betreft, erkent de Minister, dat de reglementen voor de parochiale kerkbesturen geene bepaling bevatten, welke de medewerking van het Staatsgezag eischt. Derhalve de Koninklijke goedkeuring was niet noodig. De Minister heeft die

Sluiten