Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nalaten te zeggen, dat tegenwoordig, meer dan vroeger, de „verderfelijke" richting van 1789 werd erkend. Mij dunkt, de vraag is geoorloofd, of de politieke weldaden, waarin de spreker zich mag verblijden, of de vrijheden, die hij mede geniet, die hij mede heeft helpen verwerven, of zij niet alle verkregen zijn op den grond, dien het jaar 1789 ons heeft geopend.

De heer Groen van Prinsterer kwam in verzet tegen het „beoordeelen van hetgeen men niet gehoord heeft". Er was een stip gegeven, beweerde wel de heer Th., en de afgevaardigde uit de residentie had daar een kring omheen getrokken, maar met den aanval „die nu een stip heet, werd het treffen van de hartader bedoeld".

Twee woorden:

„Men moet redevoeringen, die men niet gehoord heeft, niet beoordeelen."

Ik heb geene bepaalde redevoering beoordeeld, noch den geacliten spreker genoemd; is datgene niet gezegd, hetgeen ik met één woord heb gekenmerkt, dan is dat woord tegen niemand gericht.

Door dat ééne ongelukkige woord heb ik evenwel, zegt de spreker, „zijn betoog in het hart aangetast." Maar hij heeft geene versterking der oorlogsmacht tegen 1789 verlangd!

10 December. Hoofdstuk XI der staatsbegrooting (departement van koloniën). Algemeene beraadslaging. Bij openbare aanbesteding was de levering van koperen muntplaatjes voor nederlandsch Indië gegund aan een amsterdamsche firma, de firma P. van Vlissingen. Van verschillende zijden was daarop geklaagd, dat bij de aanbesteding ongeoorloofd gunstbetoon een rol zou hebben gespeeld. In de tweedaagsche. vrij scherpe discussiën, die hadden plaats gehad, was de zaak niet voldoende tot klaarheid gebracht.

Ik wensch te kennen te geven dat ik. van mijne zijde, tot voortzetting van deze discussie niet zal medewerken, en ik wil zeggen waarom. Naar mijn inzien kan het voortzetten dezer discussie niet leiden tot het doel dat wij allen moeten trachten te bereiken. Ik heb den Minister van Koloniën in den aanvang van zijne laatste rede met genoegen hooren zeggen: .ieder waas van geheimzinnigheid, dat over deze zaak mocht liggen, moet verdwijnen. De Regeering zal daartoe in alle opzichten gaarne bijdragen, en verlangt dat de Kamer het hare doe." De Minister heeft er bijgevoegd: „er moet na deze beraadslaging niet kunnen gezegd worden, dat iets niet behoorlijk zij opgehelderd. Er moet niets overblijven, dat ten nadeele van de Regeering kunne worden uitgelegd."

Sluiten